|
Benedictus XVI
Encycliek
Deus caritas est
Aan de bisschoppen,
aan de priesters en diakens,
aan de godgewijde personen
en aan alle christengelovigen
over de christelijke liefde
Inleiding
1. “God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem”
(1Joh 4,16). Deze woorden uit de Eerste Brief van Johannes
brengen op een eenmalige manier tot uitdrukking wat de kern is van het christelijk geloof, evenals van het christelijk godsbeeld en
het daaruit voortvloeiende beeld van de mens en de weg die deze moet gaan.
Daarnaast geeft Johannes ons in hetzelfde vers om zo
te zeggen een soort formule van het christelijk
bestaan: “Wij hebben de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij
geloven in haar” (vgl. 4,16).
Wij geloven in de Liefde. Zo kan de christen de fundamentele beslissing van
zijn leven tot uitdrukking brengen. Christen zijn
wordt niet in eerste instantie bepaald door een ethische beslissing of
hoogstaand idee, doch door een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon,
die ons leven een nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft. In
zijn evangelie heeft Johannes deze gebeurtenis als
volgt omschreven: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn
eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft … eeuwig leven zal
hebben” (Joh 3,16). Door de liefde centraal te stellen heeft het christelijk geloof overgenomen wat de kern van het geloof
van Israël was, en tegelijkertijd deze kern een nieuwe diepte en breedte
gegeven. De gelovige jood bidt immers iedere dag de woorden uit het boek Deuteronomium, waarvan hij weet dat daarin het middelpunt
van zijn bestaan wordt samengevat: “Luister, Israël! De Heer is onze God, de
Heer is de Enige. U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel
uw ziel en met al uw krachten” (6,4-5). Jezus heeft
dit gebod van de liefde tot God samengevoegd met het gebod tot de naastenliefde
uit het boek Leviticus: “U zult uw naaste liefhebben
als uzelf”(19,18) en er één voorschrift van gemaakt (vgl. Mc 12,29-31). Daar
God ons het eerst heeft liefgehad (vgl. 1Joh 4,10) is de liefde niet langer
slechts een ‘gebod’, maar antwoord op de gave van de liefde waarmee God ons
tegemoet treedt.
In een wereld waarin soms wraak of zelfs de plicht tot haat en geweld met de
naam van God verbonden wordt, is deze boodschap buitengewoon actueel en tevens
van zeer groot praktisch belang. Daarom wil ik in mijn eerste encycliek spreken
over de liefde die God ons schenkt en die wij door moeten geven. Zo wordt al
duidelijk waar de twee grote, nauw met elkaar verbonden delen van deze brief
over gaan. Het eerste deel zal een meer speculatief karakter hebben, omdat ik
voornemens ben daarin – aan het begin van mijn pontificaat – enkele wezenlijke
punten over de liefde die God de mens op mysterieuze wijze en geheel
onvoorwaardelijk aanbiedt te verhelderen en tegelijk de innerlijke
verbondenheid tussen de liefde van God en de realiteit van de menselijke liefde
aan te wijzen. Het tweede deel zal concreter zijn, want dat zal gaan over de
kerkelijke praktijk met betrekking tot het gebod van de naastenliefde. Het
thema blijkt zeer veelomvattend te zijn; een uitputtende behandeling valt
echter buiten het bestek van deze encycliek. Ik wil nadrukkelijk ingaan op
enkele fundamentele elementen, om zo in de wereld een nieuw elan op te roepen
wat betreft het praktische antwoord van de mensen op de goddelijke liefde.
Deel een
De eenheid van de liefde in schepping en heilsgeschiedenis
Een taalprobleem
2. Gods liefde voor ons is een existentiële levensvraag en roept belangrijke
vragen op: wie is God en wie zijn wij zelf? Hier krijgen we echter eerst te
maken met een taalprobleem. Het woord ‘liefde’ is tegenwoordig tot één van de
meest gebruikte en ook misbruikte woorden geworden, en het kan heel
verschillende betekenissen hebben. Ook al concentreert deze encycliek zich op
de vraag naar de wijze waarop, volgens de heilige Schrift en de Overlevering
van de Kerk, liefde wordt verstaan en in praktijk gebracht, toch kunnen we niet
onbesproken laten wat dit woord in de verschillende culturen en in het huidige
spraakgebruik betekent.
Laten we eerst bedenken hoeveel betekenissen het woord ‘liefde’ wel niet heeft:
we spreken over vaderlandsliefde, liefde voor het vak, liefde onder vrienden,
liefde voor het werk, liefde tussen ouders en hun kinderen, tussen broers en
zussen en andere familieleden, liefde tot de naaste en liefde tot God. In deze
bonte verzameling van betekenissen lijkt één echter het absolute oertype van de
liefde te zijn, waarbij op het eerste gezicht alle andere vormen van liefde
verbleken, en dat is de liefde tussen man en vrouw, waarin
lichaam en ziel onlosmakelijk samengaan en de mens een schijnbaar
onweerstaanbare belofte van geluk ziet. Dan rijst de vraag: horen al deze
vormen van liefde uiteindelijk toch op de een of andere manier bij elkaar en is
liefde toch – in alle verscheidenheid van gedaanten – eigenlijk één, of
gebruiken we alleen een en hetzelfde woord voor heel verschillende realiteiten?
‘Eros’ en ‘agape’
3. De liefde tussen man en vrouw, die niet het gevolg is van denken of willen,
maar op de één of andere manier mensen overweldigt, werd door de oude Grieken eros genoemd. Laten we meteen
opmerken dat het Oude Testament het woord eros
slechts tweemaal gebruikt, terwijl het in het Nieuwe Testament helemaal niet
voorkomt: van de drie Griekse woorden voor liefde – eros,
philia (de liefde die wij vriendschap noemen) en agape – hebben de schrijvers van het Nieuwe Testament
voorkeur voor het laatste, dat overigens in het Griekse taalgebruik weinig voorkwam.
Het begrip vriendschap (philia) wordt met een diepere
betekenis gebruikt in het evangelie volgens Johannes
om de verhouding tussen Jezus en zijn leerlingen tot uitdrukking te brengen. De
neiging het woord eros te
vermijden, samen met de nieuwe kijk op liefde, die tot uitdrukking wordt
gebracht met het woord agape, wijst zonder twijfel op
iets wezenlijks in de nieuwe wijze waarop het christendom juist de liefde
verstaat. In de kritiek op het christendom, die sinds de Verlichting steeds
radicaler is geworden, wordt dit nieuwe element geheel en al negatief
beschouwd. Het christendom – zo meende Friedrich Nietzsche – heeft eros
vergif te drinken gegeven; daar is hij weliswaar niet aan bezweken, maar het
heeft hem wel doen ontaarden in ondeugd.1 Hiermee gaf de Duitse filosoof uiting
aan een wijdverbreid gevoel: vergalt de Kerk, met haar geboden en verboden,
niet het mooiste wat het leven te bieden heeft? Zet ze
niet juist daar verbodsborden neer waar de ons door de Schepper toegedachte
vreugde een geluk aanbiedt dat ons een zekere voorproef geeft van het
goddelijke?
4. Maar is dat werkelijk zo? Heeft het christendom inderdaad eros vernietigd? Laten we eens
naar de voorchristelijke wereld kijken. De Grieken – zeer verwant met andere
culturen – beschouwden eros
voornamelijk als een soort bedwelming, de overweldiging van de rede door een
‘goddelijke waanzin’, die de mens wegrukt uit de beperktheid van zijn bestaan
en hem, omdat hij overmand wordt door een goddelijke macht, in staat stelt de
allerhoogste zaligheid te ervaren. Zo lijken alle andere machten tussen hemel
en aarde tweederangs: “Omnia vincit
amor”, zegt Virgilius in de
Bucolica – “liefde overwint alles” – en hij voegt
eraan toe: “et nos cedamus amori” – “laten wij ons
ook overgeven aan de liefde”.2
In verschillende godsdiensten kwam dit tot uitdrukking
in de vorm van vruchtbaarheidsriten, waar de ‘heilige’ prostitutie, die in veel
tempels floreerde, bij hoort. Zo werd eros
gevierd als goddelijke kracht, als eenwording met het Goddelijke.
Het Oude Testament was hevig gekant tegen deze vorm van godsdienst, die een
zeer machtige verleiding vormde met betrekking tot het geloof in de ene God, en
bestreed deze als een pervertering van godsdienstigheid. Maar daarmee werd eros als zodanig niet verworpen;
integendeel de oorlog werd verklaard aan een verwrongen en destructieve vorm
ervan, omdat de valse vergoddelijking die hier plaats vindt eros
juist van zijn waardigheid berooft en onmenselijk maakt. De prostituees in de
tempel die deze goddelijke bedwelming moesten schenken werden namelijk niet als
mensen en personen behandeld, maar alleen gebruikt als middel om de ‘goddelijke
waanzin’ op te wekken; ze waren geen godinnen doch misbruikte mensen. Een
dronken, bandeloze eros is
dus geen opstijgen, geen ‘extase’ tot het Goddelijke, maar een diepe val van de
mens. Zo wordt duidelijk dat eros
beheerst en gezuiverd zal moeten worden om de mens niet alleen vluchtig genot
te schenken, maar een zekere voorproef van het hoogtepunt van ons bestaan, van
die zaligheid waarop heel ons wezen wacht.
5. Twee dingen zijn bij dit korte overzicht van het beeld van eros in verleden en heden
duidelijk geworden. Om te beginnen, liefde heeft ergens iets met het Goddelijke
te maken; liefde belooft oneindigheid, eeuwigheid – het grotere en geheel
andere tegenover het alledaagse van ons bestaan. Er is echter ook gebleken dat
de weg daarheen niet eenvoudigweg in de overweldiging door het instinct
gevonden kan worden. Zuivering en rijping zijn nodig, die ook langs de weg van
de onthouding leiden. Dat is geen verwerping van eros, daardoor wordt eros
niet ‘vergiftigd’; hij wordt er juist door geheeld en teruggevoerd naar zijn
ware grootsheid.
Dit is op de eerste plaats toe te schrijven aan het wezen van de mens, dat uit
lichaam en ziel bestaat. De mens wordt geheel zichzelf als lichaam en ziel een
innerlijke eenheid vormen. De uitdaging door eros is overwonnen als deze eenheid tot stand
gebracht is. Als de mens alleen geest wil zijn en het lichaam om zo te zeggen
zou willen afdoen als slechts behorend tot het dierlijk
erfgoed, verliezen zowel geest als lichaam hun waardigheid. En als hij de geest
loochent en de materie, het lichaam, als enige werkelijkheid beschouwt,
verliest hij eveneens zijn grootheid. De epicurist Gassendi
sprak Descartes plagend aan met “o geest”. En Descartes antwoordde met “o lichaam”.3 Maar het is niet de
geest of het lichaam dat liefheeft – de mens, de persoon, heeft lief als enig
schepsel dat uit geest en lichaam bestaat. Alleen als die twee werkelijk
verenigd zijn is de mens geheel zichzelf. Alleen zo kan liefde – eros – tot zijn ware grootheid
rijpen.
Tegenwoordig wordt het christendom van eertijds
dikwijls verweten dat het vijandig tegenover het lichaam gestaan zou hebben, en
zulke tendensen zijn er ook altijd wel geweest. Toch is de huidige
verheerlijking van het lichaam bedrieglijk. De tot ‘seks’ gereduceerde eros wordt een handelsartikel,
niet meer dan een ‘ding’ dat men kan kopen en verkopen. Ja, de mens zelf wordt
daarbij een handelsartikel. In werkelijkheid is dit juist niet het grote ‘ja’
van de mens tegen zijn lichaam. Integendeel, hij beschouwt nu zijn lichaam en
zijn seksualiteit als het zuiver materiële gedeelte van zichzelf, dat hij
berekenend gebruikt en exploiteert. Hij ziet dit gedeelte ook niet als een gebied
waar hij zijn vrijheid in praktijk kan brengen, maar als een ‘iets’ dat hij
naar eigen goeddunken probeert zowel plezierig als ongevaarlijk te maken. Hier
hebben we te maken met een ontering van het menselijk
lichaam. Het is niet langer geïntegreerd in het geheel van de vrijheid van ons
bestaan; het is niet langer een essentiële uitdrukking van ons hele wezen, maar
het wordt min of meer verbannen naar het louter biologische gebied. De
schijnbare verheerlijking van het lichaam kan snel omslaan in haat jegens de lichamelijkheid. In tegenstelling daarmee heeft
het christelijk geloof de mens altijd beschouwd als
eenheid in dualiteit, waarbij geest en materie in elkaar grijpen en waarin
beide juist zo tot een nieuwe verhevenheid komen. Ja, eros wil ons tot het Goddelijke trekken, ons buiten
onszelf brengen, maar juist daarom vraagt eros om een
weg van opstijgen, onthouding, zuivering en genezing.
6. Hoe moeten we ons deze weg van opstijgen en zuivering in de praktijk
voorstellen? Hoe moet de liefde beleefd worden om de menselijke en goddelijke
belofte te verwezenlijken? Een eerste belangrijke aanwijzing kunnen we in het
Hooglied vinden, één van de boeken van het Oude Testament, dat bij de mystici
welbekend is. Volgens de tegenwoordig gangbare opvatting zijn de gedichten
waaruit het boek bestaat oorspronkelijk liefdesliederen, die wellicht heel
concreet voor een Israëlitische bruiloft bedoeld waren en de huwelijksliefde
verheerlijkten. Daarbij is het zeer leerzaam op te merken dat in de loop van
het boek twee verschillende woorden voor ‘liefde’ voorkomen. Daar is eerst het
woord ‘dodim’ – een meervoud dat de nog onzekere,
onbestemd zoekende liefde aanduidt. Dit woord wordt later opgevolgd door ‘ahaba’, dat in de Griekse vertaling van het Oude Testament
met agape vertaald wordt, dat er qua klank op lijkt
en – zoals we gezien hebben – het kenmerkende woord
voor het bijbelse begrip van liefde geworden is. In tegenstelling tot de nog
zoekende en onbestemde liefde wordt daarmee het ervaren van liefde uitgedrukt,
de werkelijke ontdekking van de ander en daarmee het
overwinnen van de zelfzucht, die eerder nog de boventoon voerde. Liefde wordt
nu zorg om en voor de ander. Ze zoekt zichzelf niet meer – het verzinken in de
bedwelming van het geluk – ze wil het goede voor de geliefde, ze wordt
onthouding, ze wordt offerbereid, ja ze wil zelfs offers brengen.
Bij het groeien van de liefde tot grotere hoogte en haar innerlijke zuivering
behoort het verlangen naar onherroepelijkheid, en wel in dubbele zin: in de zin
van exclusiviteit – ‘alleen deze ene mens’ – en in de zin van ‘voor altijd’.
Zij omvat het hele bestaan in alle dimensies, ook die van de tijd. Dat kan ook
niet anders, want haar belofte is gericht op onherroepelijkheid: de liefde
richt zich op de eeuwigheid. Ja, liefde is ‘extase’, maar
geen extase in de zin van het bedwelmende ogenblik, maar extase als een
voortdurende weg uit het in zichzelf opgesloten ‘ik’ naar het loslaten van het
‘ik’, naar overgave en juist zo naar het vinden van zichzelf, ja, naar het
vinden van God: “Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het
verliest, zal het behouden” (Lc 17,33) zegt Jezus –
een uitspraak van Hem die in verschillende varianten in de evangeliën
terugkeert (vgl. Mt 10,39; 16,25; Mc 8,35; Lc 9,24; Joh 12,25). Jezus geeft
daarmee zijn eigen weg aan, die door het Kruis tot de Verrijzenis leidt – de
weg van de graankorrel, die in de aarde valt en sterft en zo rijke vruchten
draagt. Hij beschrijft hier echter ook het wezen van de liefde en het menselijk bestaan op zich, vanuit het middelpunt van zijn
eigen offer en zijn daarin tot volmaaktheid komende liefde.
7. Onze tot nu toe nogal filosofische reflecties over het wezen van de liefde
hebben ons nu als vanzelf tot het bijbelse geloof geleid. Aan het begin hebben
we de vraag gesteld of de verschillende, ja zelfs met elkaar strijdige
betekenissen van het woord liefde naar een of andere innerlijke eenheid
verwijzen of dat ze zonder onderling verband naast elkaar moeten blijven staan.
In het bijzonder hebben we ook de vraag gesteld of de ons door de bijbel en de
Traditie van de Kerk verkondigde boodschap over de liefde iets te maken heeft
met de algemeen menselijke liefdeservaring of er
misschien lijnrecht tegenover staat. Daarbij zijn we de twee basiswoorden eros en agape
tegengekomen, eros om de ‘aardse’ liefde aan te
duiden, agape als uitdrukking voor de liefde die op
het geloof gegrondvest en door het geloof gevormd is. Die twee worden vaak ook
als ‘opstijgende’ en ‘neerdalende’ liefde tegenover elkaar gezet. Andere indelingen
zijn hiermee verwant, zoals bijvoorbeeld het
onderscheid tussen begerende en schenkende liefde (amor
concupiscentiae – amor benevolentiae), waaraan dan dikwijls ook nog de liefde die
op eigen voordeel uit is toegevoegd wordt.
In de filosofische en theologische discussie zijn deze
verschillen dikwijls opgeblazen tot tegenstellingen: de neerdalende, schenkende
liefde, agape, zou christelijk zijn; de
niet-christelijke, en meer in het bijzonder de Griekse cultuur zou worden
gekenmerkt door de opstijgende, begerende liefde, eros.
Als men deze tegenstelling radicaal doorvoert, wordt de essentie van het
christendom losgemaakt uit de fundamentele levensverbanden van het mens-zijn en wordt het een aparte wereld, die men dan wel
bewonderenswaardig mag noemen, maar die toch afgesneden is van het geheel van
het menselijk bestaan. In werkelijkheid laten eros en agape
– opstijgende en neerdalende liefde – zich nooit helemaal van elkaar scheiden.
Hoe meer die twee, in verschillende dimensies, in de juiste eenheid met elkaar
geraken in de ene werkelijkheid van de liefde, des te meer verwerkelijkt zich
het ware wezen van de liefde. Ook al is eros
op de eerste plaats verlangend, opstijgend – gefascineerd door de grote belofte
van het geluk – toch zal hij, als hij de ander nader komt, steeds minder met
zichzelf bezig zijn, steeds meer het geluk van de ander willen, steeds meer
zorg voor de ander hebben, zichzelf schenken, er voor de ander willen zijn. Het
element van agape doet zijn intrede, anders raakt eros in verval en verliest ook
zijn eigen wezen. Van de andere kant is het ook onmogelijk voor de mens om
alleen van de schenkende, neerdalende liefde te leven. Hij kan niet alleen maar
geven, hij moet ook ontvangen. Wie liefde wil
schenken, moet haar zelf ook krijgen. Zeker, de mens kan – zoals de Heer ons
zegt – tot bron worden, waaruit stromen van levend water vloeien (vgl. Joh
7,37-38). Maar om zo’n bron te worden, moet de mens
zelf steeds weer uit de eerste, de oorspronkelijke bron drinken – bij Jezus
Christus, uit wiens geopende hart de liefde van God zelf stroomt (vgl. Joh
19,34).
De Kerkvaders hebben in het verhaal van de Jakobsladder op velerlei wijzen een
symbool gezien van deze onlosmakelijke band tussen opstijgen en neerdalen, van eros die God zoekt en agape die het ontvangene
doorgeeft. In deze bijbelpassage wordt verhaald dat de aartsvader Jakob in een droom boven de steen die hem als hoofdkussen
diende een ladder zag waarvan de top tot in de hemel reikte en waarlangs
engelen opstegen en afdaalden (vgl. Gn 28,12; Joh
1,51). Bijzonder indrukwekkend is de uitleg van deze droom die paus Gregorius de Grote in zijn Regula
pastoralis geeft. De ware herder, zo zegt hij, moet
zijn thuis hebben in de contemplatie. Alleen zo kan hij de noden van anderen in
zijn binnenste opnemen, zodat die de zijne worden: “per pietatis
viscera in se infirmitatem caeterorum
transferat”.4 Gregorius
verwijst daarbij naar Paulus, die werd weggerukt naar
de grootste mysteries van God en juist daardoor, neerdalend alles voor allen
wordt (vgl. 2Kor 12,2-4; 1Kor 9,22). Daarnaast haalt hij ook nog het voorbeeld
van Mozes aan, die iedere keer weer de tent van
samenkomst betreedt en met God in gesprek is, om van God uit er voor zijn volk
te kunnen zijn. “Binnen [in de tent] wordt hij omhoog getrokken door de
beschouwing, buiten [de tent] neemt hij de last van de lijdenden op zich – intus in contemplationem rapitur, foris infirmantium negotiis urgetur”.5
8. Hiermee zijn we gekomen tot een eerste, zij het nog zeer algemeen antwoord
op de twee bovengenoemde vragen: uiteindelijk is ‘liefde’ één enkele
werkelijkheid, maar ze heeft verschillende dimensies – soms kan de ene kant dan
weer de andere sterker naar voren komen. Als de twee
kanten echter geheel los van elkaar geraken, ontstaat een karikatuur of in
ieder geval een verkommerde vorm van de liefde. En we hebben ook al in principe
vastgesteld dat het bijbelse geloof geen wereld naast of zelfs tegenover het
menselijke oergegeven van de liefde opwerpt, doch de hele mens aanvaardt,
zuiverend ingrijpt bij zijn zoeken naar liefde en daarbij nieuwe dimensies
biedt. Dit nieuwe van het bijbelse geloof toont zich vooral op twee punten die
extra aandacht verdienen: het godsbeeld en het mensbeeld.
Het nieuwe van het bijbelse geloof
9. Op de eerste plaats houdt de bijbel ons een nieuw beeld van God voor. In
omringende culturen blijft het beeld van God en de goden uiteindelijk
onduidelijk en tegenstrijdig. In de ontwikkeling van het bijbelse geloof werd
echter de inhoud van het voor Israël fundamentele gebed, de Shema,
steeds duidelijker en ondubbelzinniger: “Luister, Israël! De Heer is onze God,
de Heer is de Enige” (Dt 6,4). Er is maar één God,
die de Schepper van hemel en aarde is en dus ook de God van alle mensen. Deze
precisering omvat twee unieke elementen. Ten eerste, werkelijk alle andere
goden zijn God niet en Hij is de oorsprong van de hele werkelijkheid waarin wij
leven; Hij heeft die geschapen. Natuurlijk wordt het idee van schepping ook
elders gevonden, maar alleen hier wordt absoluut duidelijk dat niet zomaar een
god maar de ene ware God zelf de oorzaak is van de hele werkelijkheid, dat die
ontstaan is door de macht van zijn scheppend Woord.
Daarom is zijn schepping Hem dierbaar, want die is door Hem gewild en
‘gemaakt’. Het tweede belangrijke element komt nu naar boven: deze God houdt
van de mens. De goddelijke macht die Aristoteles op
het hoogtepunt van de Griekse filosofie trachtte te begrijpen middels reflectie
is weliswaar voor ieder wezen voorwerp van verlangen en liefde – als geliefde
beweegt deze godheid de wereld6 – maar deze godheid zelf ontbeert niets en heeft ook niet lief, doch wordt alleen bemind. De ene God, waarin Israël gelooft, heeft zelf lief. Zijn liefde is
bovendien een uitverkiezende liefde; uit alle naties kiest Hij Israël en heeft
het lief – evenwel met het doel zo de gehele mensheid
te genezen. God heeft lief en zijn liefde mag zeker eros genoemd worden, maar ze is ook volledige agape.7
Met name de profeten Hosea en Ezechiël
hebben Gods hartstochtelijke liefde voor zijn volk beschreven door het gebruik
van vrijmoedige erotische beelden. Gods verhouding met Israël wordt beschreven middels de metaforen van verloving en huwelijk; daarom is
afgoderij overspel en prostitutie. Hier vinden we een concrete verwijzing,
zoals we gezien hebben, naar de vruchtbaarheidsriten en hun misbruik van eros, maar ook een beschrijving
van de verhouding van trouw tussen Israël en God. De liefdesgeschiedenis van
God met Israël bestaat er ten diepste in dat God Israël de Tora
schenkt, dat wil zeggen het volk de ogen opent voor de ware natuur van de mens
en het de weg toont die naar ware menselijkheid leidt. Deze geschiedenis
bestaat erin dat de mens die in trouw aan de ene God leeft, ervaart dat hij
Gods geliefde is en tevens vreugde in de waarheid en de gerechtigheid, vreugde
in God vindt, die zijn wezenlijk geluk wordt: “Wie anders dan U heb ik in de
hemel, niets wil ik op aarde dan U … Mij is het genoeg bij de Heer te
vertoeven” (Ps 73 [72],25.28).
10. Gods eros voor de mens
is – zoals we reeds zeiden – ook geheel en al agape.
Dit is niet alleen het geval omdat deze liefde volledig om niet wordt
geschonken, zonder enige voorafgaande verdienste, maar ook omdat het vergevende
liefde is. Vooral Hosea laat zien dat deze agape-dimensie van Gods liefde voor de mens veel verder
gaat dan het feit dat deze onverdiend wordt geschonken. Israël heeft ‘overspel’
gepleegd, het verbond gebroken; God zou eigenlijk moeten oordelen, verstoten.
Maar juist nu wordt geopenbaard dat God God is en
geen mens: “Hoe zou Ik echter u kunnen opgeven, Efraïm,
u kunnen uitleveren, Israël? … Mijn hart slaat over, heel mijn binnenste wordt
week. Nee, Ik zal mijn vlammende woede toch niet koelen, Efraïm
niet opnieuw te gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de
Heilige in uw midden” (Hos 11,8-9). Gods hartstochtelijke liefde voor zijn volk
– voor de mens – is tegelijkertijd een vergevende liefde. Die liefde is zo
groot dat ze God tegen zichzelf keert, zijn liefde tegen zijn rechtvaardigheid.
Hierin zien christenen een verborgen voorafbeelding van het mysterie van het
Kruis: God heeft de mens zo lief dat Hij zelf mens wordt, hem zelfs volgt in de
dood en zo gerechtigheid en liefde met elkaar verzoent.
Vanuit het oogpunt van filosofie en godsdienstgeschiedenis bestaat het opmerkelijke
van deze bijbelse visie erin dat wij van de ene kant een strikt metafysisch Godsbeeld voor ons hebben: God is de oerbron van
alles wat er bestaat; maar deze oorsprong van de schepping van alle dingen – de
Logos, het oerverstand – heeft tegelijkertijd lief met alle hartstocht van de
ware liefde. Daarmee is eros
op het hoogste plan getild, maar tegelijkertijd zo gezuiverd dat hij met agape versmelt. Zo kunnen we begrijpen dat het opnemen van
het Hooglied in de canon van de heilige Schrift al zeer vroeg verklaard werd
uit de interpretatie dat deze liefdesliederen uiteindelijk de verhouding van
God tot de mens en van de mens tot God beschrijven. Zo is het Hooglied zowel in
de joodse als in de christelijke literatuur tot bron van mystieke kennis en
ervaring geworden, waarin het wezen van het bijbelse geloof tot uitdrukking
komt; ja, de mens kan zich met God verenigen – de oerdroom van de mens. Die
vereniging is echter geen versmelting, geen ondergaan in de naamloze oceaan van
het goddelijke, maar het is eenheid die liefde schept, waarbij beiden – God en
de mens – zichzelf blijven en toch geheel één worden: “Wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest”, zegt de heilige apostel Paulus (1Kor 6,17).
11. Het eerste nieuwe element van het bijbelse geloof ligt, zoals wij gezien
hebben, in het godsbeeld; het tweede, daarmee innerlijk verbonden, vinden we in
het mensbeeld. Het scheppingsverhaal van de bijbel spreekt over de eenzaamheid
van de eerste mens, Adam, die God een hulp aan zijn zijde wil geven. Geen van
de andere schepselen kan voor de mens deze hulp zijn die hij nodig heeft,
ofschoon hij alle dieren van het veld en alle vogels een naam geeft en deze zo
in de context van zijn leven betrekt. Dan maakt God uit een rib van de man de
vrouw. Nu vindt Adam de hulp waaraan hij behoefte heeft: “Eindelijk, dit is
been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees” (Gn
2,23). Daarachter kan men begrippen zien zoals die bijvoorbeeld in de door Plato vermelde mythe tevoorschijn komen; de mens zou
oorspronkelijk bolvormig zijn geweest, dat wil zeggen geheel op zichzelf
gericht en zelfgenoegzaam. Hij werd echter door Zeus
als straf voor zijn hoogmoed gehalveerd, zodat hij nu voortdurend naar de
andere helft van zichzelf verlangt, waarnaar hij op weg is, om weer heel te worden.8
In het bijbelverhaal is geen sprake van straf, maar wel is er de gedachte dat
de mens als het ware onvolledig is – van nature op weg om in de ander zijn
heelheid te vinden, dat hij slechts in het samenzijn van man en vrouw ‘heel’ wordt. Het bijbelverhaal besluit dan ook met
een profetie over Adam: “Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten
en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn” (Gn 2,24).
Deze profetie heeft twee belangrijke aspecten. Eros is als het ware van nature in
de mens zelf verankerd. Adam is op zoek en “verlaat zijn vader en moeder” om de
vrouw te vinden; alleen samen vertegenwoordigen zij de hele mensheid, worden
samen “één vlees”. Het tweede is niet minder belangrijk. Eros verwijst vanaf de
schepping naar het huwelijk, naar een verbintenis die uniek en onherroepelijk
is. Zo en alleen zo beantwoordt hij aan zijn diepe doel. Het monogame huwelijk
stemt overeen met het monotheïstische godsbeeld. Het
op exclusieve en onherroepelijke liefde berustende huwelijk wordt tot beeld van
de verhouding tussen God en zijn volk en omgekeerd: de wijze waarop God
liefheeft wordt tot maatstaf voor de menselijke liefde. Deze nauwe band tussen eros en het huwelijk in de bijbel
vinden we nauwelijks in buitenbijbelse literatuur.
Jezus Christus – de mensgeworden
liefde van God
12. Ofschoon we tot nu toe overwegend over het Oude Testament gesproken hebben,
is niettemin de verwevenheid van de beide Testamenten als de ene Schrift van
het christelijk geloof zichtbaar geworden. Het werkelijk
nieuwe van het Nieuwe Testament zijn niet de nieuwe ideeën, maar de figuur van
Christus zelf, die de oudtestamentische gedachten vlees en bloed een ongehoord
realisme geeft. In het Oude Testament bestaat het nieuwe van de bijbel trouwens
evenmin enkel uit gedachten, doch uit het onverwachte en in zeker opzicht
ongehoorde handelen van God. Dit handelen van God neemt een dramatische vorm
aan, nu God in Jezus Christus zelf het ‘verloren schaap’, de lijdende en
verloren mensheid, achterna gaat. Als Jezus in zijn gelijkenissen spreekt over
de herder die achter het verloren schaap aan gaat, over de vrouw die de drachme
zoekt, over de vader die de verloren zoon tegemoet gaat en hem omhelst, dan
zijn dat niet alleen maar woorden, maar beelden van zijn eigen zijn en doen.
Zijn dood op het Kruis is het hoogtepunt van de manier waarop God zich tegen
zichzelf keert, waarbij Hij zichzelf wegschenkt om de mens weer op te richten
en hem te redden – liefde in de meest radicale vorm. Door de doorboorde zijde
van Christus te aanschouwen, waar Johannes in zijn
evangelie over spreekt (vgl. 19,37), kunnen we het uitgangspunt van deze
encycliek begrijpen: “God is liefde” (1Joh 4,8). Daar kan deze waarheid worden
aanschouwd.
En van daaruit moeten we nu definiëren wat liefde is. Vanuit deze aanschouwing
ontdekt de christen de weg van zijn leven en zijn liefde.
13. Jezus heeft deze daad van zelfgave blijvend
aanwezig gemaakt door de instelling van de Eucharistie tijdens het Laatste
Avondmaal. Hij anticipeert op zijn dood en verrijzenis door zichzelf reeds in dit uur aan zijn leerlingen te geven in brood en
wijn, zijn Lichaam en Bloed, als het nieuwe manna (vgl. Joh 6,31-33). De
antieke wereld had ervan gedroomd dat uiteindelijk het werkelijke voedsel van
de mens – datgene waarvan hij als mens leeft – de Logos, de eeuwige wijsheid,
is; diezelfde Logos is nu waarlijk voedsel voor ons geworden – als liefde. De
Eucharistie haalt ons binnen in Jezus’ zelfgave. We ontvangen niet alleen maar
statisch de mensgeworden Logos, maar we worden
binnengehaald in de dynamiek van zijn zelfgave. Het beeld van het huwelijk
tussen God en Israël wordt nu werkelijkheid op een wijze die eerder ondenkbaar
was: het staan voor God is vereniging met God geworden door het delen in Jezus’
zelfgave, delen in zijn Lichaam en Bloed. De sacramentele ‘mystiek’, gegrond in
Gods neerdaling tot ons, reikt verder en voert hoger dan welke mystieke opgang
van de mens ook.
14. Maar nu moeten we nog een aspect bekijken. Deze ‘mystiek’ van het sacrament
is sociaal van aard, want in de sacramentele communie word ik verenigd met de
Heer, evenals alle andere mensen die de communie ontvangen. Zoals de apostel Paulus zegt: “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene
brood” (1Kor 10,17). Vereniging met Christus is ook vereniging met al diegenen
aan wie Hij zichzelf schenkt. Ik kan Christus niet voor mezelf alleen hebben;
ik kan Hem alleen toebehoren in gemeenschap met allen die de Zijnen zijn
geworden of zullen worden. De communie trekt mij uit mezelf naar Hem toe en zo
naar eenheid met alle christenen. We worden “één lichaam”, geheel en al
samengevoegd in één enkel bestaan. Liefde tot God en naastenliefde zijn nu
werkelijk verenigd; de mensgeworden God trekt ons
allen tot zich. Zo kunnen we begrijpen hoe agape ook
een aanduiding voor de Eucharistie wordt; daar komt Gods agape
lichamelijk tot ons om zijn werk in ons en door ons voort te zetten. Alleen
vanuit deze christologisch-sacramentele basis kunnen
we Jezus’ leer over de liefde op de juiste wijze begrijpen. De overgang die Hij
bewerkstelligt van de Wet en de Profeten naar het dubbelgebod van de liefde tot
God en tot de naaste, evenals het feit dat dit gebod tot middelpunt van het
hele geloofsleven is gemaakt, is niet eenvoudigweg een kwestie van moraal, die
zou kunnen bestaan los van en naast het geloof in Christus en de sacramentele
presentstelling daarvan. Geloof, eredienst en moraal zijn in elkaar gestrengeld
tot één enkele werkelijkheid die vorm krijgt in onze ontmoeting met Gods agape. Hier houdt de gebruikelijke tegenstelling tussen
eredienst en moraal eenvoudigweg geen stand. ‘Eredienst’ zelf, eucharistische
gemeenschap, omvat de werkelijkheid van zowel bemind worden als ook anderen op
hun beurt liefhebben. Eucharistie die zich niet vertaalt in concrete beoefening
van de liefde is ten diepste onvolledig. Van de andere kant is het ‘gebod’ van
de liefde alleen mogelijk omdat het meer is dan een vereiste, zoals we hierna
nog uitvoerig zullen moeten overwegen. Liefde kan een ‘gebod’ zijn, omdat er
eerst liefde geschonken wordt.
15. Zo kunnen we de grote gelijkenissen van Jezus begrijpen. De rijke vrek
(vgl. Lc 16,19-31) smeekt vanuit de onderwereld waar
hij gefolterd wordt dat aan zijn broers gemeld zal worden hoe het de mens
vergaat die de noodlijdende arme gewoonweg over het hoofd heeft gezien. Jezus pakt om zo te zeggen deze noodkreet op en reikt die
ons aan om ons te waarschuwen, om ons op het rechte pad te brengen. De
gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (vgl. Lc 10,25-37)
verduidelijkt bovenal twee zaken. Tot die tijd sloeg het begrip ‘naaste’ in
feite alleen op de volksgenoten en op de vreemdelingen die zich in het land
Israël gevestigd hadden, met andere woorden, op de hechte gemeenschap van een
land en een volk. Deze grens wordt nu doorbroken: iedereen die mij nodig heeft
en die ik helpen kan is mijn naaste. Het begrip ‘naaste’ wordt universeel
gemaakt en blijft toch concreet. Het wordt, ook al wordt het uitgebreid tot
alle mensen, niet gereduceerd tot een vrijblijvende liefde op verre afstand,
maar vereist mijn praktische inzet, hier en nu. De Kerk heeft de voortdurende
opgave deze samenhang tussen veraf en nabij te interpreteren met betrekking tot
het leven in de praktijk van haar leden. Ten slotte moeten we nog bijzondere
aandacht besteden aan de grote gelijkenis van het Laatste Oordeel (vgl. Mt 25,31-46), waarin de liefde tot maatstaf wordt wat
betreft het definitieve oordeel over de waarde dan wel het gebrek daaraan van
een mensenleven. Jezus vereenzelvigt zich met de
noodlijdenden: de hongerigen, de dorstigen,
de vreemdelingen, de naakten, de zieken, degenen die in de gevangenis zitten.
“Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt 25,40). Liefde tot God en tot de naaste versmelten; in
de geringste ontmoeten wij Jezus zelf en in Jezus ontmoeten wij God.
Liefde tot God en tot de naaste
16. Na al deze overwegingen over het wezen van de liefde en de uitleg daarvan
in het bijbelse geloof, blijft er een tweeledige vraag met betrekking tot onze
eigen houding. Ten eerste, kunnen wij God wel liefhebben terwijl we Hem niet
zien? En ten tweede, kan liefde geboden worden? Tegen het dubbelgebod van de
liefde kan een, in deze vragen doorklinkend, dubbel bezwaar worden ingebracht.
Niemand heeft ooit God gezien – hoe kunnen wij Hem dan liefhebben? En daarnaast: liefhebben kan men niet op bevel, want liefde is een
gevoel, dat er is of niet, maar dat niet door de wil teweeg gebracht kan
worden. De Schrift lijkt het eerste bezwaar te bevestigen: “Als iemand
zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een
leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet
liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien”( 1Joh 4,20).
Deze tekst sluit echter de liefde tot God helemaal niet uit als iets
onmogelijks – in tegendeel, in de context van de zojuist geciteerde Eerste
brief van Johannes wordt die juist uitdrukkelijk
geëist. Het is de onlosmakelijke band tussen liefde tot God en naastenliefde
die wordt onderstreept. Die twee horen zo nauw bij elkaar dat de mens liegt als
hij zegt dat hij God liefheeft terwijl hij zich afsluit voor zijn naaste of
deze zelfs haat. Dit vers uit de Johannesbrief moet
veel eerder uitgelegd worden in de zin dat naastenliefde een manier is om ook
God te ontmoeten, en dat zich afwenden van de naaste de mens tevens blind maakt
voor God.
17. Inderdaad, niemand heeft God gezien zoals Hij in zichzelf is. En toch is
God niet helemaal onzichtbaar voor ons; Hij is niet gewoonweg ontoegankelijk
gebleven. God heeft ons het eerst liefgehad, zegt de reeds
aangehaalde Johannesbrief (vgl. 4,10) en deze liefde
van God is onder ons verschenen, zichtbaar geworden “doordat Hij zijn enige
Zoon in de wereld gezonden heeft, om ons het leven te brengen” (1Joh 4,9). God
heeft zich zichtbaar gemaakt; in Jezus kunnen wij de Vader zien (vgl. Joh
14,9). God is inderdaad op heel veel manieren zichtbaar. In de
liefdesgeschiedenis die de bijbel ons vertelt komt Hij ons tegemoet, tracht ons
voor zich te winnen – tot aan het Laatste Avondmaal, tot aan zijn aan het Kruis
doorstoken hart, tot aan de verschijningen van de Verrezene
en de grote daden waarmee Hij middels het handelen van de apostelen de jonge
Kerk op haar weg begeleid heeft. In de verdere kerkgeschiedenis is de Heer ook
niet afwezig. Steeds weer komt Hij op ons toe – door mensen die Hem
weerspiegelen, door zijn Woord, in de sacramenten, in het bijzonder in de
Eucharistie. In de liturgie van de Kerk, in haar gebeden, in
de levende gemeenschap van de gelovigen, daar ervaren wij Gods liefde, nemen
wij Hem waar en leren wij ook zijn aanwezigheid in ons dagelijks leven te
herkennen. Hij heeft ons het eerst liefgehad en heeft ons ook nu het
eerst lief; daarom kunnen wij ook met liefde antwoorden. God schrijft ons geen
gevoel voor dat we niet kunnen oproepen. Hij heeft ons lief, laat ons zijn
liefde zien en gewaar worden, en uit dit ‘het eerst’ van God kan als antwoord
ook in ons de liefde ontkiemen.
Daarenboven wordt in dit proces van ontmoeting ook duidelijk dat liefde niet
alleen maar een gevoel is. Gevoelens komen en gaan. Het gevoel kan een
geweldige eerste vonk zijn, maar het is niet de hele liefde. We hebben aan het
begin gesproken over het proces van zuivering en rijping, waardoor eros helemaal zichzelf wordt,
liefde in de volle zin van het woord. Rijpe liefde mobiliseert alle vermogens
van de mens en schakelt om zo te zeggen de hele mens in. De ontmoeting met de
zichtbare manifestaties van Gods liefde kan in ons het gevoel van vreugde
opwekken dat voortkomt uit de ervaring van het geliefd zijn. Maar deze
ontmoeting doet ook een beroep op onze wil en ons verstand. De erkenning van de
levende God is de weg naar de liefde en het ‘ja’ van onze wil gesproken tegen
zijn wil verenigt verstand, wil en gevoel in de alomvattende daad van liefde.
Dit is natuurlijk een proces, dat steeds blijft voortduren; liefde is nooit
‘klaar’ en voltooid; ze verandert in de loop van het leven, rijpt en blijft
daardoor juist trouw aan zichzelf. Idem velle atque idem nolle9 – hetzelfde willen en hetzelfde verwerpen
– dat is wat men in de oudheid als de ware inhoud van de liefde beschouwde: het
op-elkaar-gaan-lijken, dat tot gemeenschap in willen
en denken leidt. De liefdesgeschiedenis van God en mens bestaat erin dat dit
gemeenschappelijke willen groeit in het gemeenschappelijk denken en voelen en
zo ons willen en de wil van God steeds meer samenvallen. Dan is de wil van God
geen vreemde wil meer voor mij, die mij door geboden van buitenaf wordt
opgelegd, maar mijn eigen wil, op grond van het besef dat God inderdaad dichter
bij mij is dan ik bij mijzelf kan zijn.10 Dan groeit de overgave aan God. Dan
wordt God ons geluk (vgl. Ps 73 [72],23-28).
18. Zo wordt naastenliefde in de door de bijbel, door Jezus, verkondigde
betekenis mogelijk. Die bestaat erin dat ik ook de medemens die ik vooralsnog
helemaal niet mag of zelfs niet ken, vanuit God liefheb. Dat is alleen maar
mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting met God, die tot een gemeenschappelijk
willen is geworden en zelfs reikt tot in het gevoel. Dan leer ik die ander niet
meer alleen met mijn ogen en gevoelens te bekijken, maar vanuit het perspectief
van Jezus Christus. Zijn vriend is mijn vriend. Ik zie door het uiterlijk heen
zijn innerlijk wachten op een gebaar van liefde, van aandacht, die ik hem niet
alleen doe toekomen middels de daarvoor bestaande
organisaties en die ik wellicht als politiek noodzakelijk erken. Ik kijk met
Christus en kan de ander meer geven dan de
noodzakelijke uiterlijke dingen: de blik van liefde waaraan hij behoefte heeft.
Hier zien we de noodzakelijke wisselwerking tussen de liefde tot God en de
liefde tot de naaste, waarover de eerste brief van Johannes zo indringend spreekt. Als ik in mijn leven
helemaal geen contact met God heb, kan ik in de ander
alleen de ander zien en kan ik het goddelijk beeld in hem niet herkennen. Als
ik echter de aandacht voor de ander helemaal uit mijn leven weglaat en alleen
maar ‘vroom’ wil zijn, alleen mijn ‘godsdienstige plichten’ vervullen, verdort
ook mijn relatie met God. Dan is die alleen nog maar ‘correct’, doch zonder
liefde. Slechts mijn bereidheid naar de naaste toe te gaan en hem liefde te
tonen, maakt mij ook gevoelig jegens God. Alleen de
dienst aan de naaste opent mijn ogen voor wat God voor mij doet en hoe Hij mij
liefheeft. De heiligen – denken we bijvoorbeeld aan de zalige Teresa van Calcutta – hebben de
kracht om de naaste lief te hebben steeds weer geput
uit hun ontmoeting met de eucharistische Heer, en omgekeerd heeft deze
ontmoeting werkelijkheid en diepte gekregen door hun dienst aan de naaste.
Liefde tot God en liefde tot de naaste zijn onscheidbaar: er is slechts één
gebod. De liefde tot God en tot de naaste leven echter
beide van de liefde van God, die ons het eerst heeft liefgehad. Zo is het geen
‘gebod’ van buitenaf meer, dat ons het onmogelijke voorschrijft, maar een
geschonken ervaring van de liefde van binnenuit, die op grond van haar wezen
aan anderen doorgegeven moet worden. Liefde groeit door liefde. Ze is
‘goddelijk’ omdat ze van God komt en ons met God verenigt, en in dit proces van
eenwording maakt ze ons tot een ‘wij’, dat al onze verdeeldheid overwint en ons
één laat worden, zodat uiteindelijk “God alles in allen” is (vgl. 1Kor 15,28).
Deel twee
Caritas
Het beoefenen van de liefde door de Kerk als een ‘gemeenschap van liefde’
Het beoefenen van de liefde door de Kerk als uiting van de trinitaire
liefde
19. “Als je liefde ziet, zie je de Allerheiligste
Drie-eenheid”, schreef St. Augustinus.11 In de voorafgaande overwegingen hebben
we onze blik kunnen richten op de geopende zijde van Jezus, op Hem “die zij
doorboord hebben” (vgl. Joh 19,37; Zach 12,10) en
daarbij het plan van de Vader herkend, die uit liefde
(vgl. Joh 3,16) zijn eniggeboren Zoon naar de wereld gestuurd heeft, om de
mensen te verlossen. Bij zijn dood aan het kruis heeft Jezus, zoals de
evangelist meldt, “de geest gegeven” (vgl. Joh 19,30) – vooruitlopend op de
gave van de heilige Geest, die Hij na zijn verrijzenis zou schenken (vgl. Joh
20,22). Zo werd de belofte vervuld van de “stromen van levend water”, die
dankzij de uitstorting van de Geest uit het binnenste van de gelovigen zouden
vloeien (vgl. Joh 7,38-39). De Geest is namelijk de innerlijke kracht die hun
hart in overeenstemming brengt met het hart van Christus en hen beweegt de
medemensen lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad, toen Hij voorover boog
om de voeten van de leerlingen te wassen (vgl. Joh 13,1-13) en heel in het
bijzonder toen Hij voor allen zijn leven gaf (vgl. Joh 13,1; 15,13).
De Geest is ook een kracht die het hart van de kerkelijke gemeenschap
verandert, zodat zij in de wereld kan getuigen van de liefde van de Vader, die
de mensheid in zijn Zoon wil maken tot één enige familie. Alles wat de Kerk
doet is uiting van een liefde die het gehele welzijn van de mens nastreeft: de
evangelisatie door het Woord en de sacramenten – een onderneming die in de loop
der eeuwen dikwijls heldhaftig is geweest – en de bevordering en ontwikkeling
van het leven en werken van de mens op de verschillende terreinen. Zo is liefde
de dienst die de Kerk verleent om onverdroten ook in
het materiële lijden en de materiële noden van de mensen te voorzien. Op dit
aspect, op deze liefdesdienst, wil ik in dit tweede deel van de encycliek nader
ingaan.
Het beoefenen van de liefde als opdracht van de Kerk
20. De naastenliefde, verankerd in de liefde tot God, is op de eerste plaats
een opdracht aan iedere individuele gelovige, maar ook aan de gezamenlijke
kerkelijke gemeenschap, en wel op alle niveaus, van de lokale gemeenschap en de
particuliere Kerk tot aan de universele Kerk toe. Ook de Kerk als gemeenschap
moet de liefde in praktijk brengen. Daarom heeft de liefde ook behoefte aan
organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen. Het bewustzijn van deze opdracht is in de Kerk vanaf het begin
sterk aanwezig geweest: “Allen die het geloof hadden aangenomen, waren
eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen
en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte” (Hnd 2,44-45). Lucas vertelt ons dit in de context van een
soort blauwdruk van de Kerk, waarbij hij tot de essentiële elementen rekent het
vasthouden aan de ‘leer der apostelen’ en aan het ‘gemeenschappelijk leven’ (koinonia), aan het ‘breken van het brood’ en aan het
‘gebed’ (vgl. Hnd 2,42). Het hier aanvankelijk
niet verder omschreven element van ‘gemeenschap’ (koinonia)
wordt in de hierboven geciteerde verzen concreet gemaakt. De gemeenschap
bestaat erin dat de gelovigen alles gemeenschappelijk hebben en dat er bij hen
geen verschil tussen rijk en arm meer is (vgl. ook Hnd
4,32-37). Deze vorm van materiële gemeenschap kon natuurlijk geen stand houden
toen de Kerk zich uitbreidde. Maar de kern, waar het om ging, bleef wel
bestaan. In de gemeenschap van de gelovigen mag er geen armoede bestaan in de
zin dat iemand verstoken is van de goederen die voor een menswaardig bestaan
noodzakelijk zijn.
21. We zien dat een beslissende stap wordt genomen in de worsteling om dit kerkelijk grondbeginsel door te voeren met de keuze van
zeven mannen, die de oorsprong van het diakenambt vormde (vgl. Hnd 6,5-6). Het ging hier om de ongelijkheid die ontstaan
was tussen het Hebreeuws en het Grieks sprekende deel van de vroege Kerk bij de
dagelijkse zorg voor de weduwen. De apostelen, aan wie voor alles ‘het gebed’
(Eucharistie en liturgie) en de ‘dienst van het woord’ was opgedragen, voelden
zich overbelast met de ‘zorg voor de ondersteuning’. Ze besloten dus zich te
beperken tot hun voornaamste opdracht en voor de andere, in de Kerk evenzeer
noodzakelijke opdracht de groep van zeven in te stellen, van wie overigens ook
niet alleen maar de dienst van de verdeling zonder meer werd gevraagd. Het
moesten mannen “vol van geest en wijsheid” zijn (vgl. Hnd
6,1-6). Dat betekent dat de maatschappelijke dienst die ze moesten verlenen,
zeer concreet maar tegelijk ook geheel en al een geestelijke dienst was en dat
hun ambt derhalve een geestelijk ambt was, waarin een
voor de Kerk essentiële opdracht, namelijk de geordende naastenliefde, werd
uitgevoerd. Door het instellen van deze groep van zeven was nu die ‘diakonia’ – de dienst van de gemeenschappelijk, ordelijk
beoefende naastenliefde – in de basisstructuur van de Kerk zelf verankerd.
22. In de loop der tijd en met de voortschrijdende uitbreiding van de Kerk werd
de liefdadigheid, de caritas, gevestigd als een deelgebied dat wezenlijk voor
haar is, samen met de bediening van de sacramenten en de verkondiging van het
Woord. Liefde bewijzen aan weduwen en wezen, aan gevangenen, aan zieken en alle
soorten noodlijdenden, behoort evenzeer tot het wezen van de Kerk als de dienst
van de sacramenten en de verkondiging van het evangelie. De Kerk kan de
liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord. De
martelaar Justinus († omstreeks 155) schetst in de
context van de zondagse viering van de christenen ook hun liefdadigheid,
waarmee de Eucharistie als zodanig innig verbonden is. De
welgestelden geven naargelang hun mogelijkheden,
ieder zoveel hij wil. Met de opbrengst ondersteunt de bisschop dan de wezen, de weduwen en degenen die vanwege ziekte of om
andere redenen in nood verkeren, evenals de gevangenen en de vreemdelingen.12
De grote christelijke schrijver Tertullianus († na
220) meldt dat de zorg van de christenen voor allerlei soorten noodlijdenden de
verbazing van de heidenen wekt.13 En als Ignatius van
Antiochië († rond 117) de Kerk van Rome de
“voorzitter van het liefdesverbond” (verbond van agape)14
noemt, kan men wel met zekerheid aannemen dat hij met deze aanduiding in zekere
zin ook haar concrete liefdadigheid tot uitdrukking wilde brengen.
23. In deze context mag een verwijzing naar de wettelijke structuren wat
betreft de liefdadigheid in de jonge Kerk nuttig zijn. Rond het midden van de
vierde eeuw krijgt in Egypte de zogenaamde ‘diaconie’ vorm: een instelling in
ieder monnikenklooster, die verantwoordelijk is voor alle steunverlening – de
caritas. Uit dit eerste begin ontwikkelt zich in
Egypte tot aan de zesde eeuw een vereniging met volledige
rechtspersoonlijkheid, waaraan de staat zelfs een deel van het koren voor
openbare uitdeling toevertrouwt. In Egypte heeft uiteindelijk niet alleen elk
klooster maar ook ieder bisdom zijn diaconie – een instelling die zich dan
zowel in het Oosten als in het Westen uitbreidt. Paus Gregorius
de Grote († 604) vermeldt de diaconie in Napels. Wat betreft Rome zijn er
schriftelijke bewijzen voor diaconieën vanaf de zevende en de achtste eeuw.
Maar vanzelfsprekend behoorde de steunverlening aan armen en noodlijdenden,
volgens de principes voor het christelijk leven
ontwikkeld in de Handelingen der Apostelen, ook eerder al en vanaf het begin
wezenlijk bij de Kerk van Rome. Deze opdracht wordt levendig tot uitdrukking
gebracht in de figuur van de diaken Laurentius (†
258). De dramatische beschrijving van zijn martelaarschap was reeds aan de heilige Ambrosius (†
397) bekend en toont ons in essentie het authentieke beeld van de heilige. Hem
werd als verantwoordelijke voor de Romeinse armenzorg na de arrestatie van zijn
medebroeders en van de paus nog wat tijd gelaten om de schatten van de Kerk bij
elkaar te zamelen met het doel ze aan de wereldlijke overheden te overhandigen.
Laurentius verdeelde de beschikbare middelen onder de
armen, en stelde dezen aan de machthebbers voor als de ware schat van de
Kerk.15 Hoe men ook over de historische juistheid van zulke details denkt – Laurentius is als groot voorbeeld van de kerkelijke liefde
in het geheugen van de Kerk aanwezig gebleven.
24. Een verwijzing naar de figuur van keizer Julianus de Afvallige († 363) kan
ook nog eens aantonen hoe wezenlijk de georganiseerde en in praktijk gebrachte
naastenliefde voor de jonge Kerk was. Julianus had als zesjarig kind de moord
op zijn vader, zijn broer en andere familieleden door de paleisgarde meegemaakt
en hij schreef deze brute daad – terecht of ten onrechte – toe aan keizer Constans, die zich uitgaf voor een uitmuntend
christen. Daarmee had het christelijk geloof eens en
voor al voor hem afgedaan. Als keizer besloot hij het heidendom, de oude
Romeinse godsdienst, in ere te herstellen, maar tegelijk te hervormen, zodat
die werkelijk de dragende kracht van het rijk zou kunnen worden. Daarvoor
ontleende hij veel aan het christendom. Hij stelde een hiërarchie van
metropolieten en priesters in. De priesters moesten de liefde tot God en tot de
naaste bevorderen. In één van zijn brieven16 schreef hij dat het enige van het
christendom waarvan hij onder de indruk kwam, de liefdadigheid van de Kerk was.
En daarom was het voor zijn nieuwe heidendom van het allergrootste belang dat
er naast het systeem van de kerkelijke liefdadigheid een soortgelijke
activiteit van zijn godsdienst zou komen. De “Galileeërs”,
zo zei hij, hadden op die manier hun populariteit verworven. Men moest hen
nadoen en zelfs overtreffen. Op deze wijze bevestigde de keizer dus dat het
beoefenen van de naastenliefde, de caritas, een onmiskenbaar kenmerk van de
christelijke gemeenschap, de Kerk, was.
25. We hebben aan onze overwegingen twee wezenlijke inzichten overgehouden:
a. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige
opdracht: de verkondiging van Gods Woord (kerygma-martyria),
het vieren van de sacramenten (leiturgia), de dienst
van de liefde (diakonia). Deze opdrachten
veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is
voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen
overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van
haar diepste wezen.17
b. De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen
noodlijdenden zijn. Tegelijkertijd overschrijdt caritas-agape
echter de grenzen van de Kerk. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan
blijft maatstaf en gebiedt de universele liefde, die zich wendt naar de behoeftige die men ‘toevallig’ ontmoet (vgl. Lc 10,31), wie hij ook is. Zonder ook maar iets af te doen
aan de universaliteit van het gebod tot liefde, heeft de Kerk toch ook een
speciale opdracht – dat in de Kerk zelf, als één familie, geen van de kinderen
gebrek mag lijden. Hier geldt het woord uit de Brief aan de Galaten: “Laten we
dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze
geloofsgenoten” (6,10).
Gerechtigheid en liefde
26. Sinds de negentiende eeuw wordt er tegen de kerkelijke liefdadigheid een
bezwaar aangevoerd dat dan vooral door het marxistische denken nadrukkelijk
ontwikkeld is. De armen, zo wordt gezegd, hebben geen behoefte aan
liefdadigheid maar aan gerechtigheid. Liefdadigheid – aalmoezen geven – zou in
feite de manier zijn waarop de rijken zich onttrekken aan de totstandkoming van
de gerechtigheid, hun geweten sussen, vasthouden aan hun
eigen positie en de armen hun recht ontfutselen. Liever dan door middel van
individuele liefdadigheid mee te werken aan het in stand houden van de
bestaande verhoudingen, zou er een rechtvaardige structuur geschapen moeten
worden, waarin alle mensen hun aandeel in de goederen van de wereld krijgen en
daardoor geen behoefte meer hebben aan liefdadigheid. Toegegeven, er zit wel
iets in dit argument, maar er is ook veel mis mee. Het is juist dat het
basisprincipe van de staat het streven naar gerechtigheid moet zijn en dat het
doel van een rechtvaardige sociale orde is, met inachtneming van het
subsidiariteitsbeginsel, iedereen zijn aandeel in de goederen van de
gemeenschap te garanderen. Dat heeft de christelijke staatsleer en sociale leer
ook altijd benadrukt. De vraag van de rechtvaardige ordening van de gemeenschap
is – historisch gezien – met de ontwikkeling van de geïndustrialiseerde
maatschappij in de negentiende eeuw in een nieuwe situatie geraakt. Het
ontstaan van de moderne industrie heeft de oude maatschappelijke structuren
uiteen doen vallen en met de massa arbeiders die afhankelijk zijn van loon een
radicale verandering in de samenstelling van de maatschappij teweeg gebracht,
waarin de verhouding tussen kapitaal en arbeid de beslissende vraag werd, die
er voordien in deze vorm niet geweest was. Productiemiddelen en kapitaal
vormden nu de nieuwe macht die, in de handen van weinigen
gelegd, tot rechteloosheid van de werkende massa’s leiden, waartegen deze in
opstand moesten komen.
27. We moeten toegeven dat de vertegenwoordigers van de Kerk pas geleidelijk
opgemerkt hebben dat de vraag aangaande de rechtvaardige structuur van de
samenleving op een nieuwe manier werd gesteld. Er waren wegbereiders. Eén van
hen was bijvoorbeeld bisschop Ketteler van Mainz († 1877). Als antwoord op de concrete noden
ontstonden er kringen, verenigingen, verbanden, federaties en bovenal nieuwe
religieuze congregaties die in de negentiende eeuw de strijd tegen armoede,
ziekte en gebrekkig onderwijs aanbonden. Het pauselijk
leergezag trad in 1891 naar buiten met de door Leo XIII gepubliceerde Encycliek
Rerum novarum. Daarop
volgde in 1931 de Encycliek van Pius XI Quadragesimo anno. De zalige paus Johannes
XXIII publiceerde in 1961 zijn Encycliek Mater et magistra,
terwijl Paulus VI in de Encycliek Populorum
progressio (1967) en in de apostolische Brief Octogesima adveniens (1971)
nadrukkelijk op de sociale problematiek inging, die nu in het bijzonder acuut
geworden is in Latijns Amerika. Mijn grote voorganger Johannes
Paulus II heeft ons een trilogie van sociale
Encyclieken nagelaten: Laborem exercens
(1981), Sollicitudo rei socialis
(1987) en ten slotte Centesimus annus
(1991). Zo is gestaag, door het in gesprek gaan met steeds nieuwe situaties en
problemen een katholieke sociale leer gegroeid, die in het door de ‘Pauselijke
Raad voor Gerechtigheid en Vrede (Justitia et Pax)’ in 2004 gepresenteerde Compendium van de sociale leer
van de Kerk op samenhangende wijze geschetst is. Het marxisme had de
wereldrevolutie en de voorbereiding daarvan voorgesteld als het universeel geneesmiddel voor de sociale problematiek. Door
de revolutie en door de daarmee verbonden collectivisering van de
productiemiddelen zou – aldus deze leer – plotseling alles anders en beter
worden. Deze droom is vervlogen. In de moeilijke situatie waarin wij ons
vandaag de dag bevinden, juist ook ten gevolge van de globalisering van de
economie, is de sociale leer van de Kerk een fundamentele richtlijn geworden,
die oriëntatie biedt ook ver buiten de Kerk. In het licht van
de voortschrijdende ontwikkeling moet, in samenspraak met allen die serieus
zorg dragen voor de mens en zijn wereld, gemeenschappelijk gestreden worden aan
de hand van deze oriëntatie.
28. Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en
het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele
feiten in beschouwing genomen worden:
a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de
centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid
gedefinieerd wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei: “Remota itaque iustitia quid sunt regna
nisi magna latrocinia?”18 Fundamenteel voor het christendom is het
onderscheid tussen wat de keizer toekomt en wat God toekomt (vgl. Mt 22,21), dat wil zeggen de scheiding tussen Kerk en staat
of, zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt, de autonomie van het aardse.19 De
staat mag de godsdienst niet voorschrijven, doch moet de vrijheid en de vrede
van de aanhangers van verschillende godsdiensten onderling waarborgen. De Kerk
als sociale uitdrukking van het christelijk geloof is
van haar kant onafhankelijk en leeft vanuit het geloof in haar vorm van
gemeenschap, die door de staat gerespecteerd moet worden. De twee domeinen
moeten onderscheiden worden maar zijn wel op elkaar betrokken.
Gerechtigheid is het doel en vandaar ook de innerlijke maatstaf van alle
politiek. De politiek is meer dan een mechanisme om het openbare leven te
regelen, doch heeft als oorsprong en doel juist de gerechtigheid en die heeft
betrekking op de ethiek. Zo is het voor de staat bijna onontkoombaar zich
steeds weer af te vragen: Hoe moet de gerechtigheid hier en nu verwezenlijkt
worden? Maar die vraag vooronderstelt een andere, fundamentelere vraag: Wat is
gerechtigheid? Dit is een vraag van de praktische rede, maar om goed te
functioneren moet de rede steeds weer gezuiverd worden, want de kans dat de
rede ethisch verblind wordt door het zegevieren van bepaalde belangen en macht
is een nooit geheel uit te bannen gevaar.
Hier raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft zeker
zijn eigen wezen als ontmoeting met de levende God – een ontmoeting die voor
ons nieuwe horizonten ontsluit, die veel verder reiken dan de rede. Maar
het geloof is tegelijk ook een reinigende kracht voor de rede zelf. Het geloof
bevrijdt de rede vanuit het perspectief van God van de verblinding en helpt die
aldus beter zichzelf te zijn. Het geloof stelt de rede in staat haar eigen werk
beter te doen en wat haar eigen is beter te zien. Dit is precies de plek voor
het inzetten van de katholieke sociale leer. Deze wil de Kerk geen macht over
de staat geven; ze wil evenmin inzichten en gedragingen die bij het geloof
horen opdringen aan hen die dit geloof niet delen. Ze wil
eenvoudigweg bijdragen tot de zuivering van de rede en erbij helpen dat datgene
wat juist is hier en nu kan worden herkend en dan ook uitgevoerd.
De sociale leer van de Kerk redeneert op basis van de rede en de natuurwet, dat
wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is voor alle mensen. En de Kerk weet
dat het niet haar opdracht is zelf deze leer politiek door te zetten. Ze wil de
gewetensvorming in de politiek dienen en ertoe bijdragen dat de heldere kijk op
de ware vereisten van de gerechtigheid toeneemt en tegelijk ook de bereidheid
vanuit de gerechtigheid te handelen, zelfs als dat in strijd is met de belangen
van brede lagen van de bevolking. Dat betekent echter dat het vestigen van een
rechtvaardige maatschappelijke en staatsrechtelijke orde waardoor ieder het zijne krijgt een fundamentele opgave is, die iedere
generatie weer op zich moet nemen. Daar het om een politieke opgave gaat, kan
dit niet rechtstreeks een opdracht van de Kerk zijn. Daar het echter
tegelijkertijd een fundamentele menselijke opdracht is, heeft de Kerk de plicht
op haar manier, door de zuivering van de rede en door ethische vorming, haar
bijdrage te leveren, zodat de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en
politiek haalbaar worden.
De Kerk kan en mag zich de politieke strijd niet toe-eigenen, om een zo
rechtvaardig mogelijke samenleving te verwezenlijken. Ze kan en mag de staat
niet vervangen. Maar ze kan en mag in de strijd om gerechtigheid ook niet
afzijdig blijven. In de strijd van de rede moet ze zich mengen langs de weg van
de argumentatie, en ze moet de geestelijke krachten opwekken zonder welke de
gerechtigheid, die altijd ook offers vraagt, geen ingang kan vinden en evenmin
kan gedijen. Een rechtvaardige maatschappij kan niet het werk van de Kerk zijn,
doch moet door de politiek bewerkt worden. Maar de inzet voor de gerechtigheid
door een opening van kennis en wil te creëren voor de eisen van het goede is
wel geheel en al haar zaak.
b. Liefde – caritas – zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige
samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van de liefde
overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het punt de
mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en hulp
vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van
materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig
is.20 De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt wordt
uiteindelijk een bureaucratische instantie, die het wezenlijke niet kan geven
dat de lijdende mens – iedere mens – nodig heeft: liefdevolle persoonlijke aandacht. We hebben geen behoefte aan een alles regelende en
beheersende staat, maar aan een staat die, volgens het subsidiariteitsbeginsel,
edelmoedig initiatieven erkent en steunt, die uit de verschillende
maatschappelijke krachten voortkomen en spontaniteit verbinden met het nabij
zijn aan de mens die hulp nodig heeft. De Kerk is zo’n
levende kracht. In haar leeft de dynamiek van de door de Geest van Christus
ontstoken liefde, die de mens niet alleen materiële hulp, maar ook sterking en
genezing van de ziel biedt, die dikwijls nog noodzakelijker is dan de materiële
ondersteuning. Achter de bewering dat rechtvaardige structuren de liefdadigheid
overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch mensbeeld schuil, het bijgeloof dat de mens “van brood alleen” leeft (Mt 4,4; vgl. Dt 8,3) – een
overtuiging die de mens verlaagt en juist het specifiek menselijke miskent.
29. Zo kunnen we nu nader bepalen wat in het leven van de Kerk de verhouding is
tussen de strijd voor de rechtvaardige ordening van staat en maatschappij aan
de ene kant en de georganiseerde liefdadigheid aan de andere kant. Er is reeds gezegd dat het vestigen van rechtvaardige structuren
geen rechtstreekse opdracht van de Kerk is, maar tot de orde van de politiek –
van de zelfverantwoordelijke rede – behoort. De Kerk heeft
hierin een indirecte opdracht in zover het haar toekomt bij te dragen tot de
zuivering van de rede en het opwekken van de morele krachten zonder welke
juiste structuren niet kunnen worden opgebouwd, noch op den duur kunnen
functioneren.
De rechtstreekse opgave te werken voor een rechtvaardige ordening van de
samenleving komt daarentegen speciaal aan de
lekengelovigen toe. Als staatsburgers zijn ze geroepen persoonlijk aan het
openbare leven deel te nemen. Ze kunnen niet afzien van deelname aan “de
veelvoudige en gevarieerde economische, sociale, wetgevende, bestuurlijke en
culturele activiteit welke gericht is op de organische en institutionele
bevordering van het algemeen welzijn”.21 Het is ook de
opdracht van de lekengelovigen het maatschappelijk
leven op de juiste wijze gestalte te geven, waarbij ze de legitieme zelfstandigheid
hiervan respecteren en met de andere burgers ieder naar eigen deskundigheid en
eigen verantwoordelijkheid samenwerken.22 Ofschoon de specifieke uitingsvormen
van de kerkelijke liefdadigheid nooit gelijkgeschakeld mogen worden met de
activiteiten van de staat, is het toch onbetwist dat de liefde het hele leven
van de lekengelovigen moet bezielen en bijgevolg ook hun politieke werk in de
zin van “sociale naastenliefde”23 kenmerkt.
De caritatieve organisaties van de Kerk vormen daarentegen
een opus proprium, één van haar hoogsteigen opdrachten, waarbij zij niet als
medewerker fungeert, maar als rechts. |