|
Verslag zesde Maltezer
Retraite te Maarssen 2004
Naar Maarssen en terug met Robert Regout
Door
pater Marc lindeijer S.J.
Retraitepater Maarssen 2004
Wie wil
weten hoe een retraite precies gelopen is, moet niet aan de retraiteleider
vragen om het verslag te schrijven. Het belangrijkste op een retraite gebeurt
immers in het hart van de deelnemers en wordt pas duidelijk in de dagen en weken
na de retraite, als de begeleider al weer lang thuis is. Wilt u dus weten hoe de
Maltezer retraite gelopen is die van 27 tot 29 februari werd gegeven in Maarssen,
praat u dan eens met een van de deelnemers, of beter nog Kijkt u eens naar ze.
Is er iets in hen veranderd? Is er iets nieuws, iets fris gekomen in hun leven?
Zijn ze – volgens het klassieke schema – gegroeid in geloof, hoop en liefde?
Maar
goed, ondertussen heeft men toch aan mij, de retraiteleider, gevraagd om een
verslag te schrijven en ik heb toegezegd, onder de beperking dat ik niet kon
schrijven over het innerlijk leven van de deelnemers. Over het al te uiterlijke
aspect van de retraite: de fraaie gebouwen en de goede verzorging in de Priorij
Emmaus, hoef ik ook niet uit te wijden, Ik veronderstel ze bekend bij de lezer.
Wat mij dan nog rest zijn twee zaken: wat ik als begeleider heb mogen brengen
aan de retraiteanten en wat de retraitanten mij hebben gebracht.
Laat me
met het tweede beginnen. Helemaal onbekend met de katholieke adel was ik niet,
maar die kennis beperkte zich vooral tot historische kennis, tot de genealogie
van de Hövells bijvoorbeeld of tot de landhuizen die de familie Bosch in tijden
van weleer had bewoond, in de achttiende en negentiende eeuw had ik ze ontmoet,
de voorvaderen om ooms en tantes, die opgetreden waren als leiders en
beschermers van de katholieke gemeenschap in verdrukking en sedert de val van de
Republiek in 1795 in herleving en zelfs in grote bloei. Maar de hoogdagen van de
“baronnenkerken”op het platteland liggen alweer een eeuw achter ons. Wie zijn
ze, wat doen ze nu, de kleinkinderen en achterneven van de weldoeners en
bestuurders? Het was een aangename verrassing voor mij, als historicus en als
priester, om in de deelnemers omstandigheden van deze tijd. Naar buiten toe
treed men niet meer op als katholiek voorman, zoals dat vroeger bijna
vanzelfsprekend was. Binnen de katholieke gemeenschap daarentegen is men
dienstbaar gebleven, of het nu gaat om het bisdom, de parochie of om de groep
die zo diernaar is aan God: de armen en de zieken. Dat het hun daarbij niet gaat
om een ereplaats voor in de kerk, bleek me uit een detail dat welsprekend is in
zijn ogenschijnlijke kleinheid, namelijk de zorg en attentie aan tafel. “Dienen,
niet zich laten dienen: dat is volgens het Concilie de taak van de christen in
de wereld van deze tijd.” Dat had ik geschreven in de aankondiging van de
retraite en dat zag ik reeds de eerste avond, voor ik nog maar een woord
gesproken had, voor mijn ogen gebeuren. Ook ik groeide in geloof, hoop en
liefde.
Was er
dan niets meer voor mij om te brengen? Natuurlijk wel, want hoe groter het
geestelijk vermogen van de mens, hoe meer geestelijk voedsel hij wil hebben. Dus
hebben we in vijf inleidingen geluisterd naar de stem van het Tweede Vaticaans
Concilie, dat veertig jaar geleden plaatsvond, en naar de stem van pater
professor Robert Regou S.J., die twintig jaar eerder al de boodschap van het
Concilie van bemoediging en dienst aan de wereld in praktijk bracht. Als
studentenmoderator en hoogleraar volkenrecht deed hij dat voor de oorlog in
Nijmegen; als gevangene deed hij dat sedert juli 1940 in achtereenvolgens
Arnhem, Berlijn en Dachau, waar hij stierf op 28 december 1942. Daarnaast werd
de deelnemers nog stof tot bezinning geboden in het nieuwe derde deel van de
Journals of Spirituality (Rome 2003) van de Maltezer Orde, dat zij tijdens de
retraite kregen. Nadat we gemediteerd hadden over onze zegeningen en over de
zonde; nadat we het woord van het concilie hadden horen klinken ‘dat Christus,
voor allen gestorven en verrezen, door zijn Geest de mens licht en kracht kan
geven om aan zijn hoge roeping te beantwoorden’; na deze beschouwingen was het
goed om aan de hand van dit boekje uit te wisselen over getuigenis afleggen van
het geloof vandaag (Maurice Couve de Murville) en over de evangelische vereisten
van het obsequium pauperum (Gian Luca Chiavari). Gebed, bestudering van ons
geloof en beoefening van de deugden wordt door hen aanbevolen, in de overtuiging
dat ‘de beste aanbeveling van het christelijk geloof de kwaliteit is van het
leven dat de christenen leidt’. Het obsequium pauperum moet en mag zich dan ook
niet beperken tot materiele hulp, maar omvat advies geven, hoffelijkheid,
gezelschap houden, luistern, troosten, ideeën uitwisselen, tijd geven, gebed.
‘Ridder of Dame, kijk nu om je heen… Je zult meer dan genoeg handen naar je
uitgestrekt zien. Neem er een en help die mens op te staan. Samen zul je de
hemel bereiken.’
In
zekere zin zijn we er al tijdens de retraite mee begonnen, door uit te wisselen
en naar elkaar te luisteren. Zo ook tijdens de laatste inleiding, op
zondagmorgen na de eucharistieviering. Het verhaal van de gevangenschap van
Robert Regout werd verteld, lange maanden in steeds verschrikkelijker
omstandigheden, en toch… “Wie Regout zag. Vatte moed. Velen zochten, al was het
maar in een kort gesprek met hem, zichzelf te hervinden….” Het was alsof er
iemand naast ons kwam staan, op zondagmorgen 29 februari in de Priorij Emmaus,
iemand die ons bij de hand nam en hielp opstaan. Godsvertrouwen, roomse
blijheid, moed, bijzondere kracht, leiderschap: de deelnemers herkenden het in
Robert Regout als idealen die ook nu navolging verdienen, door de Maltezers in
het bijzonder. En de begeleider? Hij is blij dat erbij mocht zijn en mocht
ontdekken dat de katholieke adel zijn geest van dienstbaarheid behouden heeft,
en dat er in het voorbeeld van een voornaam en edelmoedig man als Robert Regout
door u en mij inspiratie wordt gevonden die ons groeien doet in geloof, hoop en
liefde.
|
|
|