|

|
| 17e eeuws
schilderij, "Les Chevaliers de Malte" van Bertrand Galimard Flavigny (selecteer de tekening voor een
grote afbeelding) |
Het *de facto*
Grootmeesterschap kwam daarmee aan zijn einde, want de opvolgende zoon,
Alexander I, wilde slechts beschermheer zijn en drong er op aan dat de Orde zich
ten snelste een nieuwe Grootmeester zou verwerven. Het kiescollege kon in die
oorlogstijd niet bijeen komen en dus zou Paus Pius VII iemand aanwijzen; Ruspoli
weigerde, maar Tommasi nam het in 1803 aan. Hij vestigde zich in Catania en werd
door alle betrokkenen als soeverein erkend. Zo had Paul I, zonder het te
bedoelen, de Orde door uiterst kritieke 5 jaren geloodst; thans was zij terug in
een constitutioneel normale toestand. Grootmeester Tommasi kon echter niet
voorkomen dat de nieuwe Tsaar in 1810/11 alle organen van de Orde in Rusland
ontbond en de beide Grootprioraten ophief.
Van het orthodoxe
bleef wel een echo over: eind mei 1819 werd voor de laatste maal een orthodoxe
Rus, Prins Galitzin tot de Orde toegelaten. Heden ten dage wordt voor
niet-katholieken slechts in geval van vorstelijke personen en hun familieleden
de nodige een uitzondering gemaakt. Daarbij komt dat ons tegenwoordige
Koninklijk Huis afstamt van Tsaar Paul I via diens dochter Anna Paulowna,
gemalin van koning Willem II. Aldus werden in 1911 lid van de Orde Koningin
Wilhelmina (Dame Grootkruis van Eer en Devotie) en Prins Hendrik (Baljuw,
Grootkruis Eer en Devotie). Zo is in 1960 Prinses Beatrix geadmitteerd als Dame
Grootkruis van Eer en Devotie; zij is als Koningin beëdigd en ingehuldigd op 30
april 1980.
De Napoleontische
oorlogsjaren zouden het dieptepunt brengen voor de Orde: alle structuren en
bezittingen gingen verloren, alleen het Grootprioraat Bohemen bleef bestaan. Na
de dood van Tommasi in 1805 traden tot 1879 geen Grootmeesters meer op, doch
Plaatsvervangers van het Grootmagistraat. Aangezien het Wener Congres in 1815
Malta definitief aan de Engelsen liet, verplaatste de leiding van de Orde zich
van Catania naar Ferrera in 1821 en in 1834 definitief naar Rome. Pas de 7e
plaatsvervanger, Johann Baptist Ceschi a Santa Croce, die in 1872 was
aangetreden, werd in 1879 door Paus Leo XIII een jaar na diens verkiezing weer
als Grootmeester met de rang van kardinaal erkend; hij bestuurde de Orde tot
1905. In de loop van de 19e eeuw zijn enkele bezittingen aan de Orde
teruggegeven en werden Prioraten heropgericht of opnieuw ingedeeld, vooral in
Italië en Oostenrijk, maar de uitsluitende Prioraatstructuur keerde niet terug;
de Nationale Associaties zoals wij die thans in grote meerderheid kennen, deden
hun intrede van 1859 af.