WWW ORDE VAN MALTA

 Geschiedenis  

Jeruzalem, 1080 - 1291

In het jaar 395 werd Jeruzalem door Byzantium veroverd en, met het heilig land, ingelijfd in het Oost-Romeinse rijk. In 637, vijf jaar na de dood van de profeet Mohammed, werd de stad veroverd door kalief Omar te Medina.

Broeder Gérard, stichter van het hospitaal te Jeruzalem

In de volgende eeuwen bleef zij evenwel toegankelijk voor de pelgrims naar de heilige plaatsen, zodat kooplieden en geestelijken uit Amalfi, toendertijd een machtige koopmansrepubliek aan de Italiaanse kust ten zuiden van Napels, aan het einde van de eerste helft van de 11e eeuw van de kalief van Bagdad toestemming kregen tot het inrichten van een Benedictijner abdij met hospitaal in de nabijheid van de kerk van het Heilig Graf. De monniken van deze abdij van de H. Maria der Latijnen waren zeker Italianen; het hospitaal ter verzorging van de pelgrims werd echter bediend door een aparte lekenbroederschap, hoewel het hospitaal bij de abdij hoorde.

Het had een afdeling voor mannen en een voor vrouwen, ieder met een eigen kapel en stond op de plaats waar volgens de overlevering de engel de conceptie van Johannes de Doper had aangekondigd en het was derhalve aan deze heilige gewijd.

Johannes de Doper kondigt de naderende komst van de Messias aan. 'Het doopsel der bekeerlingen', fresco van Jacopo en Lorenzo Salimbeni uit 'de geschiedenis van de Doper' (begin 15e eeuws). Urbino, oratorium van de heilige Johannes de Doper

In 1071 veroverden de Turkse Seldsjoeken Jeruzalem en zij begonnen de pelgrims grote moeilijkheden in de weg te leggen, hetgeen in Europa de opvatting deed ontstaan dat de heilige plaatsen moesten worden bevrijd. Paus Urbanus II riep daartoe op tijdens het concilie van Clermont-Ferrand in 1095 met het gevolg dat de eerste kruistocht het jaar daarna vertrok. Inmiddels was rond 1080 de Broederschap van het Hospitaal van Sint Jan onder leiding gekomen van Broeder Gérard, naar alle waarschijnlijkheid ook een Italiaan hoewel de Fransen hem voor zich opeisen. Onder de Turken waren het moeilijke tijden geweest, maar de aankomst van de kruistocht veranderde alles: na een beleg van 5 weken nam Godfried IV van Bouillon, hertog van Nederlotharingen, in 1099 Jeruzalem in.

De kruisridders vonden er het hospitaal met zijn Broederschap en de faam van Gérard en de zijnen verspreidde zich over geheel West-Europa. In navolging van Godfried zelf, schonken andere edelen ook landerijen aan het Hospitaal, zodat het in enkele jaren tot rijkdom kwam met bezittingen in de Europese Middellandse Zee-landen.

Gérard begon steunpunten langs de pelgrimsroutes in te richten en begin 1113 had hij 7 hulphospitalen onder zijn gezag; in Bari, Otranto, Taranto, Messina, Pisa, Asti en St. Gilles.

De tijd was rijp voor een duidelijker organisatievorm en gezagsverhouding tot ook de Heilige Stoel. Op 15 februari 1113 richtte Paus Paschalis II tot Broeder Gérard de bul *Piae postulatio voluntatis*, waarin hij de Broederschap goedkeurde en onder rechtstreekse bescherming van de Heilige Stoel plaatste; bovendien moest zij voortaan geheel onafhankelijk zelf haar leider kiezen. Zo werd zij de zelfstandige Hospitaalorde, gewijd aan St. Jan de Doper, die als doel bleef houden het verzorgen van zieke en gewonde pelgrims. Deze feitelijke toestand werd door Paus Anastasius IV in diens bul *Christianae fidei religio* van 21 oktober 1154 ook canoniek-rechtelijk bevestigd.

Maltezer Ridders

Inmiddels was Broeder Gérard in 1120 te Jeruzalem gestorven. Hij had zich slechts Rector genoemd, doch zijn opvolger Raymond du Puy noemde zich Meester en wordt als de tweede Grootmeester van de Orde beschouwd. Hij bestuurde haar 38 jaar en op zijn aandrang voerde Paus Honorius II kort voor 1130 een reorganisatie door van de snel groeiende Orde, die het moederhuis, de Benedictijner abdij, reeds geheel van zijn plaats had verdrongen: zij zou bestaan uit Ridders, Priesters en dienende Broeders. Voor de geprofesten (zij die de geloften van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede hadden afgelegd) werd een leefregel vastgesteld naar Augustijns model. Het embleem bleef het achtpuntige kruis dat in de vlag van Amalfi voorkwam, terwijl de vanouds gevoerde vlag met het witte Latijnse kruis werd gehandhaafd. Voornaamste doel bleef het *obsequium pauperum*, de verzorging van zieken en behoeftigen, maar er kwam bij de *tuitio fidei*, de verdediging van het geloof als militaire taak. De Orde ondervond in geheel de christelijke wereld grote erkenning en haar supranationale samenstelling werd versterkt door de giften die zij in al deze landen ontving, zodat zij zich uiteindelijk organiseerde in 8 provincies, "Talen" genoemd, verspreid over geheel Europa. Deze waren onderverdeeld in Prioraten, Balijen, Commanderijen en Hospitalen.

Toch hield Jeruzalem het als christelijke hoofdstad nog geen eeuw uit: in 1187 werd het op 3 oktober door de Seldsjoeken onder Saladin heroverd en bleef verder in Turkse handen. De Orde trok terug op Akko, ten noorden van Haïfa, maar die vesting viel uiteindelijk in 1291.

 

 

Rhodos

 

 
 

© Copyright Orde van Malta,  Associatie Nederland