In het jaar 395 werd
Jeruzalem door Byzantium veroverd en, met het heilig land, ingelijfd in het
Oost-Romeinse rijk. In 637, vijf jaar na de dood van de profeet Mohammed, werd
de stad veroverd door kalief Omar te Medina.
 |
|
Broeder Gérard,
stichter van het hospitaal te Jeruzalem |
In de volgende eeuwen
bleef zij evenwel toegankelijk voor de pelgrims naar de heilige plaatsen, zodat
kooplieden en geestelijken uit Amalfi, toendertijd een machtige
koopmansrepubliek aan de Italiaanse kust ten zuiden van Napels, aan het einde
van de eerste helft van de 11e eeuw van de kalief van Bagdad toestemming kregen
tot het inrichten van een Benedictijner abdij met hospitaal in de nabijheid van
de kerk van het Heilig Graf. De monniken van deze abdij van de H. Maria der
Latijnen waren zeker Italianen; het hospitaal ter verzorging van de pelgrims
werd echter bediend door een aparte lekenbroederschap, hoewel het hospitaal bij
de abdij hoorde.
Het had een afdeling
voor mannen en een voor vrouwen, ieder met een eigen kapel en stond op de plaats
waar volgens de overlevering de engel de conceptie van Johannes de Doper had
aangekondigd en het was derhalve aan deze heilige gewijd.
 |
|
Johannes
de Doper kondigt de naderende komst van de Messias aan. 'Het doopsel der
bekeerlingen', fresco van Jacopo en Lorenzo Salimbeni uit 'de geschiedenis van
de Doper' (begin 15e eeuws). Urbino, oratorium van de heilige Johannes de Doper |
In 1071 veroverden de
Turkse Seldsjoeken Jeruzalem en zij begonnen de pelgrims grote moeilijkheden in
de weg te leggen, hetgeen in Europa de opvatting deed ontstaan dat de heilige
plaatsen moesten worden bevrijd. Paus Urbanus II riep daartoe op tijdens het
concilie van Clermont-Ferrand in 1095 met het gevolg dat de eerste kruistocht
het jaar daarna vertrok. Inmiddels was rond 1080 de Broederschap van het
Hospitaal van Sint Jan onder leiding gekomen van Broeder Gérard, naar alle
waarschijnlijkheid ook een Italiaan hoewel de Fransen hem voor zich opeisen.
Onder de Turken waren het moeilijke tijden geweest, maar de aankomst van de
kruistocht veranderde alles: na een beleg van 5 weken nam Godfried IV van
Bouillon, hertog van Nederlotharingen, in 1099 Jeruzalem in.
De kruisridders vonden
er het hospitaal met zijn Broederschap en de faam van Gérard en de zijnen
verspreidde zich over geheel West-Europa. In navolging van Godfried zelf,
schonken andere edelen ook landerijen aan het Hospitaal, zodat het in enkele
jaren tot rijkdom kwam met bezittingen in de Europese Middellandse Zee-landen.
Gérard begon
steunpunten langs de pelgrimsroutes in te richten en begin 1113 had hij 7
hulphospitalen onder zijn gezag; in Bari, Otranto, Taranto, Messina, Pisa, Asti
en St. Gilles.
De tijd was rijp voor
een duidelijker organisatievorm en gezagsverhouding tot ook de Heilige Stoel. Op
15 februari 1113 richtte Paus Paschalis II tot Broeder Gérard de bul *Piae
postulatio voluntatis*, waarin hij de Broederschap goedkeurde en onder
rechtstreekse bescherming van de Heilige Stoel plaatste; bovendien moest zij
voortaan geheel onafhankelijk zelf haar leider kiezen. Zo werd zij de
zelfstandige Hospitaalorde, gewijd aan St. Jan de Doper, die als doel bleef
houden het verzorgen van zieke en gewonde pelgrims. Deze feitelijke toestand
werd door Paus Anastasius IV in diens bul *Christianae fidei religio* van 21
oktober 1154 ook canoniek-rechtelijk bevestigd.
 |
|
Maltezer Ridders |
Inmiddels was Broeder
Gérard in 1120 te Jeruzalem gestorven. Hij had zich slechts Rector genoemd, doch
zijn opvolger Raymond du Puy noemde zich Meester en wordt als de tweede
Grootmeester van de Orde beschouwd. Hij bestuurde haar 38 jaar en op zijn
aandrang voerde Paus Honorius II kort voor 1130 een reorganisatie door van de
snel groeiende Orde, die het moederhuis, de Benedictijner abdij, reeds geheel
van zijn plaats had verdrongen: zij zou bestaan uit Ridders, Priesters en
dienende Broeders. Voor de geprofesten (zij die de geloften van gehoorzaamheid,
kuisheid en armoede hadden afgelegd) werd een leefregel vastgesteld naar
Augustijns model. Het embleem bleef het achtpuntige kruis dat in de vlag van
Amalfi voorkwam, terwijl de vanouds gevoerde vlag met het witte Latijnse kruis
werd gehandhaafd. Voornaamste doel bleef het *obsequium pauperum*, de verzorging
van zieken en behoeftigen, maar er kwam bij de *tuitio fidei*, de verdediging
van het geloof als militaire taak. De Orde ondervond in geheel de christelijke
wereld grote erkenning en haar supranationale samenstelling werd versterkt door
de giften die zij in al deze landen ontving, zodat zij zich uiteindelijk
organiseerde in 8 provincies, "Talen" genoemd, verspreid over geheel Europa.
Deze waren onderverdeeld in Prioraten, Balijen, Commanderijen en Hospitalen.
Toch hield Jeruzalem
het als christelijke hoofdstad nog geen eeuw uit: in 1187 werd het op 3 oktober
door de Seldsjoeken onder Saladin heroverd en bleef verder in Turkse handen. De
Orde trok terug op Akko, ten noorden van Haïfa, maar die vesting viel
uiteindelijk in 1291.