|
De Orde van Malta in Nederland
Herstel in Nederland
Onder
het voorspoedig bestuur van de 1e Baljuw, generaal Baron van Voorst
tot Voorst, ter zijde gestaan door een voortvarend Kapittel, heeft de Maltezer
Orde na haar herstel in Nederland in korte tijd de positie heroverd, welke haar
in ons land op historische gronden toekwamen. En wederom heeft de Orde van Malta
haar eigen Maltezerhuis, de zetel alwaar onder andere vergaderingen van het
Kapittel en de Ridderdagen worden gehouden.
De
S.M.H.O.M. Associatie Nederland is opgericht op 20 januari 1911 bij besluit van
Grootmeester Galeazzo Von Thun and Hohenstein. In vroeger eeuwen was de
Nederlandse Sint Jans Balije onderdeel geweest van het Prioraat Heitersheim in
Duitsland en had hier te lande verschillende Commanderijen opgericht. Na de
afzwering van Philips II in 1581 werden de goederen van de Orde in Nederland
verbeurd verklaard en zijn merendeels verloren gegaan; de Catharina kathedraal
en het oorspronkelijk daarbij behorende Catharijneconvent te Utrecht bestaan
echter nog steeds.
Jaarverslag
uit 1921, genomen uit:
De
Nederlandsche Balije der Souvereine Orde van Malta,
onder redactie van Jhr. Mr. E.B.F.F. Wittert van Hoogland, werkmeester.
Uitgave: Utrecht 1 januari 1921.
|
 |
|
Maltezer Slot te Heitersheim |
Nederland behoorde in de organisatie van de Maltezer Orde tot Duitsland en wel
tot het Groot-Prioraat Heitersheim. Reeds in de 13e eeuw vindt men talrijke
nederzettingen in Nederland; op verschillende plaatsen werken Commanderijen
opgericht. Getuigen daarvan zijn nog de talrijke St. Janskerken en de oude
gasthuizen der Orde in Nederland, welke laatste gedurende vele eeuwen zieken en
ellendigen tot nut zijn geweest.
Aan het hoofd van de Balye Nederland stond een Landscommandeur, die te Utrecht
zetelde. Onder hem stonden de Commandeurs van Haarlem, Oudewater, de Waard,
Montfoort, Harmelen, Buren, Harderwijk, ’s-Heerenloo, Ingen, middelburg,
Wemeldingen, Kerkwerve en Sneek. Deze Commandeurs waren gehouden jaarlijks een
zekere som als recognitie aan de Grootmeester te Malta toe te zenden.
|
 |
|
Commanderij van de Orde van St. Jan te Ingen. Getekend door Jan de
Beijer in 1750 (R.P.K. Amsterdam) |
Een der eerste stichtingen der Maltezer Orde in Nederland was de Commanderij te
Nijmegen. Bij de algemene geestdrift, die het Westen bezielde voor de herovering
van het Heilig Land en duizenden het Kruis voor de Heilige Oorlog deed aannemen,
wilden velen, die om wettige redenen niet konden optrekken, in edelmoedigheid
niet achterblijven. Zij vermaakten goederen voor dat vrome doel en stichten
huizen voor de Ridders en religieuzen, van wie de terugkerende Kruisvaarders
wonderen van dapperheid en zelfverloochening verhaalden. Aldus schonken Alard
Burggraaf van Nijmegen en zijne gemalin Uda, hun eigen erf aan de St.
Jansridders, bekostigden de bouw van het convent en gaven verschillende vaste
goederen tot onderhoud, onder andere vier landhoeven te Hees, één te Ewijck met
aanhorigheden, één te Weurt, één bouwhof te Woesick, één buurschap onder Wychen
en één te Lent. Door een oorkonde van 20 oktober 1196 bekrachtigde Keizer
Hendrik VI de schenking dezer goederen aan de Commanderij of het hospitaal van
St. Jan.
Het hospitaal en convent deed elke week drie uitdelingen aan huiszittende armen.
De pelgrims, die naar het H. Land gingen werden er gehuisvest, Van de inkomsten
werd aan de Orde niets afgestaan dan ene geringe jaarlijkse recognitie voor de
Grootmeester te Malta. Door de Land Commandeur Jacobus van Denemarken werden
omstreeks 1320 de gebouwen aanmerkelijk uitgebreid en verfraaid. De St. Janskerk
door een ommuurd kerkhof omgeven , stond op de tegenwoordige Korenmarkt,
oudtijds ook St. Jansmarkt geheten. Zij was ten noorden door een boog, de St.
Jansboog, verbonden met de Commanderij, later als kerk en pastorie in gebruik
bij de Waalsche gemeente. In de 16e eeuw waren de St. Janshuizen te Arnhem en te
Nijmegen onder één Commandeur verenigd. De Arnhems-Nijmeegse Commandeur Thomas
van Rothuijzen ging in 1501 naar Rhodos om de hoofdzetel der Orde tegen de
overmachtige Turken te helpen verdedigen.
De
Maltezer Ridders genoten in Gelderland allerlei voorrechten. In 1379 gaf Hertog
Willem van Gelre een handvest, waarin onder andere bepaald was dat de St.
Jansridders voor geen anderen rechter mochten terecht staan dan voor de Vorst
zelf of diens lasthebber, welke vrijheden in 1402 door Hertog Reinold bevestigd
werden.
|
 |
|
De Sint Janskerk te Haarlem |
Ook in Haarlem heeft de Orde belangrijke nederzettingen gehad. Haar kerk was de
oude kerk van St. Jan Baptist.
De
hoofdzetel in Nederland der Maltezer Orde was echter te Utrecht, waar de
Landcommandeur woonde. De Landcommandeur van Utrecht was een machtig persoon van
de Orde. Onder hem stonden de bovengenoemde Commanderijen, waaronder ook tot
1469 de machtige commanderij van Haarlem. Zijne installatie had op plechtige
wijze plaats en was in Utrecht een gewichtige gebeurtenis. Omringd door een
grote stoet van Commandeurs en Ridders van St. Jan vroeg de reeds benoemde en
door de Meester van Duitsland en de Keizer in zijne benoeming bevestigde
landcommandeur van de Balye, aan de in de Kapittelzaal van het Catryneklooster
aanwezige ridders of zij hem als Landcommandeur van Utrecht erkenden.
In
naam van de Grootmeester van Malta, bezocht de Vorst Groot Prior van Heitersheim,
de Nederlandse Balye geregeld om de administratie na te gaan.
In
Utrecht hebben de Ridders reeds in de 13de eeuw de St. Catharina kerk en
klooster bij de Catharina Poort gesticht. Ook hadden zij daar reeds een
hospitaal, het St. Catharina gasthuis, waar reeds in de 13de eeuw armen en
zieken verpleegd werden en hetwelk jaarlijks een uitkering van broden aan de
armen deed. Tot 1529 zijn de Maltezers werkzaam geweest in hun klooster en
hospitaal aan de Catharyne Poort, geëerd om hunne liefdadigheid, Toen Keizer
Karel V het Kasteel Vredenburg wilde vergroten had hij daarvoor nodig het Huis
der Maltezer Ridders met hun hospitaal, kerk en klooster. De Maltezers stonden
hem een en ander af op voorwaarde, dat zij een terrein en gebouwen van dezelfde
grootte zouden terug krijgen. Keizer Karel V gaf hun toen in 1529 ’t Karmelieter
Klooster aan de Nieuwstraat. De Karmelieten kregen een ander terrein en bouwden
een klooster bij de St. Nicolaaskerk. De Ridders hebben toen een andere kerk,
ter plaatse waar zij tegenwoordig nog staat, in de plaats van het was afgebroken
ter ere van St. Catherina gebouwd. Toen Philips II de troon van zijn vader
besteeg had de Balye van Utrecht van de Orde van St. Jan van Jeruzalem daar ter
plaatse een groots gebouw in mooie gotische stijl opgetrokken met prachtige
kloostergang, dat verblijf aanbood aan de Commandeurs en Ridders en aan de
Kloosterlingen der Orde van Malta, benevens ruime gelegenheid voor de verpleging
van zieken in het daaraan verbonden St. Catharina Gasthuis.
Na
de afzwering van Philips in 1581 werden de geestelijke instellingen in de
Nederlanden door de Staten der Provinciën, op wie de Soevereiniteit hier te
lande was overgegaan, opgeheven en de goederen verbeurd verklaard. Aldus
geschiedde ook met de Balye van Utrecht der Maltezer Orde, hoewel die Balye geen
geestelijke instelling was. Het klooster werd opgeheven, de kerk aan de
Gereformeerden gegeven, en het Gasthuis onder het Bestuur van de Staten
gebracht. Alles op grond, dat de Rooms katholieke godsdienst was opgeheven, dat
er dus geen Rooms katholieken meer waren en hun goederen dus zonder eigenaars.
|
%202%20Tari.jpg) |
|
Postzegel van de Orde van Malta. Emissie 7 ( 1969) met nominale waarde
van 2 Tari. Voormalig tenue Maltezerridder. |
Hetzelfde gebeurde in Nijmegen. Na het overlijden van de laatste Commandeur te
Nijmegen, Bernhard van Golstein in januari 1638, vond de Magistraat goed de
bezittingen dezer Commanderij aan te slaan en te bestemmen tot dienst en
onderhoud der Hervormde Kerken. Wel eiste Walraven van Merode als Commandeur en
Gevolmachtigde uit naam der Orde de goederen gerechtelijk op, en werd de
Magistraat bij sententie van de Hove Provinciaal en geadjungeerde leden uit de
kwartieren van Zutphen en Veluwe op 19 december 1646 veroordeeld om de
Commanderijen met alle daartoe behorende landerijen, rechten en gerechtigheden
aan de Ridders van Malta weder te geven, maar de goederen werden niet
teruggegeven.
Met kracht is de Regering der Souvereine Orde van Malta echter tegen de
inbezitneming harer goederen opgekomen. De Grootmeester betoogde dat de
instellingen en goederen der Maltezers in de Nederlanden, evenals overal elders
in Europa, behoren tot de Souvereine Staat der Maltezer Orde, die in genen dele
een geestelijke instelling was, De Orde toch was een militaire Orde en
Souvereine Staat met wereldlijke macht bekleed en slechts voor een deel uit
geestelijken bestaande. Als Souvereine Staat stond de Orde noch onder gezag van
de Paus, noch onder enige andere geestelijke heerschappij. De Orde voerde voorts
als bewijs aan, dat alle Commanderijen in Europa, ook in Nederland, jaarlijks
een som gelds opbrachten voor de Grootmeester, om de Orde in staat te stellen
haar militaire plichten, als beschermer van Christelijk Europa tegen de Turken,
te vervullen. En al had de Balye Nederland ook tot taak een gasthuis tot
verpleging van zieken te onderhouden, werd daardoor geen verandering gebracht in
haar militaire plichten.
Reeds vroeger hadden de St. Jans Ridders zich verzet tegen alle inmenging. Toen
de landvoogdes Margaretha van Parma meende het recht te hebben de benoeming van
de nieuw gekozen Landcommandeur te bevestigen en hun een belasting wilde
opleggen. Zij betoogden, dat hun Landscommandeur de eed van onderdanigheid
aflegde aan de Vorst Groot Prior van Heitersheim en zonder diens toestemming
geen der goederen van de Balye mocht vervreemden of bezwaren. Dat Hertog Philips
van Bourgondië 10 december 1497 op het voorbeeld van de Keizers van Duitsland en
Koningen van Frankrijk vrijdom van belasting verleed had aan de Maltezer Ridders
in al zijn staten, en dat Keizer Karel V 25 augustus 1536 en 24 mei 1540 alle
privilegiën van zijn voorgangers had bevestigd, Ingevolge de Pacificatie van
Gent moet dan ook aan de Ridders van St. Jan de schade, die zij gedurende de
Spaanse troebelen in hunne bezittingen geleden hadden, volgens besluit van de
Algemene Staten vergoed worden en hun teruggeven wat hun ontnomen was. Bij
resolutie van de Staten van Holland en Zeeland van 9 augustus 1577 geschiedde
zulks dan ook voor de Commanderij van Haarlem, op grond, dat de goederen der St.
Jans Ridders “geheelijk zijn ingelijfd ende vereenigd van de Ordre des
Grootmeesters van Malta onder de Overste Meesters van Duytschlandt ende zulke
staande zynde onder het gebied en de eygendom van deselve, daartoe dezelve mede
ordnaris worden gehouden te contribueeren”.
|
 |
|
Het gebouwencomplex van de Commanderij van Sint Jan te Nijmegen aan de
Waalkade steekt uit boven de bebouwing. |
Het gebouwencomplex van de Commanderie van Sint Jan te Nijmegen aan de Waalkade
De
staten van Utrecht stoorden zich echter niet aan de protesten der Orde. Zij
betoogden, dat de uitoefening van de Roomse godsdienst verboden was en ingevolge
de Unie van Utrecht de Staat eigenaar der geestelijke goederen werd in iedere
provincie daarover naar welgevallen don beschikken. En zij bleven zich
vastklampen aan het onjuist begrip, dat de Orde, omdat zij ook tot taak had de
verpleging van zieken en gewonden, welke taak door de geestelijke leden der Orde
werd uitgeoefend, een geestelijk karakter had, Over het hoofd gezien werd, dat
de Maltezer Orde als zelfstandige Staat reeds sedert haar 1ste constitutie van
1130 een militaire taak te vervullen had en ook reeds blijkens die 1ste
constitutie geen geestelijke Orde was. Zij bestond uit Ridders, die van
adellijke afkomst moesten zijn en die de militaire taak der Orde te vervullen
hadden. Dat daarnevens ook Priesters aan de Orde verbonden waren, die in
vredestijd de Kerkelijke Dienst verrichtten en in oorlogstijd als aalmoezeniers
dienst deden, maakte de Orde niet tot een geestelijke Orde.
|
 |
|
Een zilveren guldenmunt uitgegeven in 1717 door de Staten van Utrecht |
De
Staten van Utrecht verboden de keuze van de Landcommandeur en stelden zelf over
de commanderijen Commandeurs aan, die in naam der Staten de goederen der Orde
bestierden. Uit de opbrengst van slechts een deel der goederen werd het
Catharijne Gasthuis onderhouden en verder werden prebenden uitgekeerd aan hen,
die de Staten van Utrecht daarmede wensten te begunstigen. Aldus eigenden zich
de Staten wederrechtelijk de goederen der Maltezer Orde toe.
Het eerste protest tegen deze handelwijze kwam van de zijde van de Groot Prior
van Heitersheim, onder wiens de Nederlandse Balije ressorteerde, die 18 augustus
1603 een schriftelijk protest bij de Staten indiende en dit mondeling liet
voorlichten door twee gevolmachtigden: de commandeur van Steinfurt en de
commandeur van Sobern en Winsheim, die onder andere aantoonden, dat in alle
andere landen, ook in de Protestantse landen, alle commanderijen van de ridders
van St. Jan van Jeruzalem volledige vrijheid genoten, zowel voor het kiezen van
Commandeurs als voor de administratie hunner goederen.
Prins Maurits erkende de juistheid van de aanspraken der Orde en schreef op 15
november 1603 aan de Staten van Utrecht een brief, waarin hij hun verzocht de
redenen in de missive van de Meester van Duitsland uiteengezet, te overwegen en
de gevolmachtigden een gunstig antwoord te geven. Ook de Staten Generaal deden
de Staten van Utrecht een brief toekomen, waarbij zij het verzoek deden, “dat de
Staten van Utrecht de meester zouden geven redenen van contentement.” Het mocht
niet baten, De Staten van Utrecht wensten van de rijke bezittingen der Maltezer
Ridders, die een jaarlijks inkomen van ongeveer 50.000 daalders
vertegenwoordigden, geen afstand te doen.
Niet in alle provinciën werd met de goederen der Souvereine Orde van malta op
dezelfde wijze gehandeld. Op verzoek van de commandeur van Brakel, die onder
andere bewees, dat de goederen der Orde niet allen in Frankrijk, maar ook bij
besluit van Keizer Karel V voor diens landen van alle belastingen vrij waren
gesteld, gaven de Staten Generaal 23 juni 1612 een resolutie, waarbij bepaald
werd, dat de bezittingen der Orde in Oosterhout en Alphen in de Baronie van
Breda vrij zouden zijn van belasting, op grond, dat aan de Staten Generaal
gebleken was, “dat de goederen van de commandeurs van Malta bij alle Koningen en
Prinsen der Christenheit van alle contributiën, vrij ende exempt gehouden werden
ende voornamelijk ook in de Nederlanden vrij gehouden zijn geweest, bij Ordre
van Keyser Carel den Vijfde.”
Nogmaals deed Prins Maurits een poging door de Staten van Utrecht zijn neef Don
Louis Prins van Portugal aan te bevelen, die als Maltezer Ridder in bijzondere
zending van de Grootmeester de opdracht had de teruggave der ontnomen goederen
te vragen, Het verzoek van Prins Maurits om de eis van zijn neef in te willigen
werd door de Staten van de hand gewezen, hoewel deze had aangetoond, dat de
Staten en de door eden daarmede begiftigde particuliere personen, zonder enig
recht de goederen in hun bezit hadden. Hij wees er op hoe de Maltezer Orde
steeds met de Verenigde Nederlanden in vrede en vriendschap geleefd had, en de
Nederlandse schepen, handel dreven in de Middellandse Zee, altijd door de
Maltezer Ridders waren bijgestaan en beschermd, en de Orde nooit met vreemde
Vorste, ook niet met de Koning van Spanje had samengespannen om de Nederlandse
handel te benadelen.
In
1648 werd aan de Staten Generaal kennis gegeven van de komst hier te lande van
een Souverein Ambassadeur van de Grootmeester van Malta, ten einde de goederen
op te eisen, toebehorende aan de Orde van St. Jan van Jerusalem.
In
de vergadering der Staten Geveraal van 19 september 1648 werd weliswaar
besloten: “hem in Den Haag te recipieeren, in te halen en te traiteeren, volgens
d’ordre en observantie ende gebruik van den Staat omtrent zoodanige actiën”,
maar tevens om hem met ledige handen terug te zenden.
|
%205%20scudi.jpg) |
|
Postzegel uit 2001, emissie 277, met de nominale waarde van 5 Scudi.
Ordetekenen van een Dame Grootkruis in Eer en Devotie. |
In
1652 verscheen een gedrukte memorie luidende aldus: “insichten van de princelyke
rechten en redenen waarom tot gedurig profyt van de Militaire ende Ridderorde
van St, Jan tot jerusalem ende derselver Repuliecq tot Malta, voorts tydelyck
profyt van den Doorluchtige Hooggeborene Heere Friedriech, Prins Cardinaal ende
Landtgraaf van Hessen, Groot Prior desselven Ordens in Duytschland, Furst des
Heyligen Roomschen Ryck, enz. In den naam van Hooggemelten Orden, paratelyck en
de effectievelyck, die Restitutie ende Redintegratie van derselven Balagiën,
Commanderiën, Huysen edde goederen, die binnen ’t gebiedt van de Hoogh Mog.
Heeren jStaten Geveraal der Vereenigde Nederlandsche provinciën en binnen ’t
gebiedt van de Ed, Groot Mog, Heeren Staten derselve provintiën gelegen, ende in
den yegendom van de hoochgemelte Orde alomme geconserveerd zijn gebleven, by
hare Hooch Groot ende Ed, Mog, Behoort geconsenteert te worden. “ Ook in deze
memorie werd op den voorgrond gesteld, dat de Orde geen Geestelijke Orde was en
ook door de Pausen steeds als een wereldlijke Orde was beschouwd. Ook dit hielp
niet.
|
 |
|
Ambassadeur Godefroy Graaf dÉstrades |
Daarna trok Koning Lodewijk XIV van Frankrijk zich de zaak van de Maltezer
Ridders in Nederland aan. In 1663 droeg hij aan zijn Ambassadeur Graaf
d’Estrades op te bewerken, dat de Staten Generaal de Ridders van Malta weder in
het bezit van de hun wederrechtelijk ontnomen goederen in Utrecht zouden
stellen. Ook de Koningen van Engeland en Denemarken protesteerden tegen de
inbezitneming der Maltezer goederen. De Staten van Utrecht echter bleven
weigeren op grond, dat de Maltezer Orde elders als een strijdende, wereldlijke
Orde moge opgetreden zijn, te Utrecht zich steeds als een geestelijke,
verplegende Orde had doen kennen. Alsof de Staten de macht hadden aan een
onderdeel van de Orde een ander karakter toe te kennen dan de Orde zelf had en
zich zelf gaf. Over het karakter der Orde en dus ook over haar onderdelen – en
de Balye Nederland was een van die onderdelen – had toch uitsluitend de
Grootmeester van Malta en zijn Raad van Ministers te beslissen.
De
Staten begonnen nu de goederen der Orde te verkopen. Reeds in 1635 waren de
goederen van de Commanderijen van Waarde, Kerkwerve en Wemeldingen verkocht. De
opbrengst van de goederen van het Convent van St. Catharijne, die in 1699
verkocht werden, bedroeg allen reeds 247.290 gulden. De provincie Utrecht genoot
dus grote voordelen, maar het St. Catharijne Gasthuis verviel bij gebrek aan
inkomsten. Vooral ook omdat ter bevoordeling van particuliere personen behorende
tot de Gereformeerde Religie de prebenden willekeurig werden weggeschonken, Die
prebenden brachten op ongeveer 30.000 gulden. Aldus werden ook deze gelden, die
voor het gasthuis hadden moeten worden besteed, daaraan onttrokken.
In
1815 werd het Catharijne klooster en hospitaal tot inkwartiering kazerne en
militair logement ingericht. Van al de goederen van St. Catharijne bleef slechts
ongeveer 6000 gulden over, die in het gezamenlijke fonds der Gasthuizen werden
gestort. De St. Catharijne kerk werd in 1840 weder aan de Katholieken afgestaan.
“Van hetgeen de Hospitaalridders van St. Jan van Jeruzalem der Maltezer Ridders
van de Balye van Utrecht, eenmaal hebben bezeten, een klein gedeelte er van, het
overschot van groote bezittingen, dient nog na zes en een halve eeuw, tot
leniging van ziekte en lijden van Utrechts’s burgerij. Eere hunne
nagedachtenis.” Aldus besluit Dr. P.G. Brondgeest zijn geschiedenis van het St.
Catharijne Gasthuis.
“Zoo noodlottig was de ondergang van het Catharijne Gasthuis voor Utrecht”,
aldus dezelfde schrijver, ‘Dat hare burgers tien jaren lang van een ziekenhuis
verstoken waren. Zoo ooit een inrichting tengevolge van slechte en willekeurige
handelwijze van het grootste gedeelte van hare goederen is beroofd, dan is het
die van de hospitaalridders van St. jan van Jeruzalem, Balye van Utrecht”.
Geruime tijd bleven daarna de betrekkingen tussen Nederland en de Souvereine
Orde verbroken tot het jaar 1910, toen van uit Nederland onderhandelingen werden
geopend met de Vorst Grootmeester van de Souvereine Orde met het doel de
Nederlandse Balye der Orde te herstellen. Deze onderhandelingen hebben geleid
tot de wederinstelling van de Associatie Nederland van de Souvereine Orde van
Malta bij besluit van de Vorst Grootmeester van 20 januari 1911. Talrijke
moeilijkheden waren te overwinnen. Zoo bijvoorbeeld waren de strenge eisen van
16 adellijke kwartieren, welke in andere landen voor toelating nodig zijn, in
een klein land niet vol te houden. Toch mocht de Vorst Grootmeester de
beginselen van de Orde niet opofferen en mocht bij dus bij het geven van
concessies niet verder gaan dan tot de uiterste grens, die nodig was om de
Nederlandse Associatie levensvatbaar te doen zijn, Dat de Vorst Grootmeester bij
zijn Besluit heeft blijk gegeven van wijs beleid blijkt wel hieruit, dat
inderdaad de Nederlandse Balye in de weinige jaren van haar bestaan bewezen
heeft die levensvatbaarheid te bezitten. De toelatingseis komt thans (1921) in
Nederland in hoofdzaak hierop neer, dat toegelaten worden zij, die behoren tot
geslachten, die vóór de grote Franse revolutie reeds tot de adel behoorden,
terwijl de beoordeling der kwartieren aan het kapittel wordt overgelaten. De
Franse revolutie toch vormt als het ware de afsluiting van het oude tijdperk en
de inluiding van het nieuwe; ook op adelsgebied.
Met grote luister had op de 3de augustus 1911 te Utrecht de viering van het
harstel der Orde in Nederland plaats, voorafgegaan door een plechtige kerkelijke
dienst, die door Z.D.H. de aartsbisschop van Utrecht, die tot de geestelijke
hoogwaardigheidsbekleders der Orde behoort, verricht werd in dezelfde St.
Catharijne kerk, die door de Maltezer Ridders ongeveer vier eeuwen eerder
gesticht was. De stad Utrecht, waar van af de 13de eeuw de Landcommandeur der
Maltezers gezeteld had, werd wederom de zetel van de herstelde Balye. En al moet
deze thans missen de rijke bezittingen, die haar in een tijd van
onverdraagzaamheid wederrechtelijk ontnomen zijn, tot schade van armen en
hulpbehoevenden, jaar streven zal blijven naar vermogen te steunen en te helpen
waar steun nodig is.
|
%201%20scudo.jpg) |
|
Postzegel uitgegeven door de Orde van Malta. Emissie 13 (1971) met
nominale waarde van 1 Scudo. Voormalig tenue Maltezer ridder. |
Haar eerste werk op de dag van haar herstel in Utrecht was dan ook in het St.
Antonius Gasthuis aldaar een vrijbed te stichten, waarop voortdurend
onvermogende zieken op kosten der Orde verpleging kunnen vinden.
Ook in Nederland zal de Orde blijven streven naar toepassing van de beginselen,
die door alle eeuwen heen onveranderd zijn gebleven en die haar de plicht
opleggen op de slagvelden de gewonden en in de hospitalen de kranken te
verzorgen.
In
artikel I van de Statuten der Nederlandse Balye staat dan ook vermeld, dat de
Associatie zich ten doel stelt de beoefening van christelijke liefdadigheid, met
name door het verplegen van zieken en gewonden, zowel in tijd van vrede als in
tijd van oorlog, benevens het in het leven roepen binnen het koninkrijk en de
Nederlandse Koloniën van ziekenhuizen en soortgelijke inrichtingen.
De
Balye streeft er naar deze dubbele taak: haar vrede’s en haar oorlogstaak, te
velvoeren. Zij heeft thans (1921) reeds in verschillende ziekenhuizen in ons
land vrijbedden gesticht waar ten allen tijde onvermogende kranken op kosten van
de Orde verpleegd en verzorgd worden, Tot dit doel heeft zij onder andere ook
een Malta Fonds opgericht, dat bestuurd wordt door vrouwen en dochters van
Ridders en dat over het gehele land vertakkingen heeft, Ook met behulp van dit
fonds hooft de Balye het doel te bereiken, waarnaar zij streeft: De oprichting
van een Maltezer Hospitaal voor geheel onvermogenden. Dit betreft haar
vredeswerk.
|
 |
|
De Sint Jansplaats te Arnhem en directe omgeving op oude prent uit het
archief van de Gemeente Arnhem. Graaf Otto was naar het Heilige Land op
kruistocht gegaan. Hij schonk een deel zijn grond aan de Ridders van
Sint Jan. Huidige namen als Jansplein, Jansplaats, Janstraat enz.
herinneren aan de plek waar de commanderij (één van de hoofdkwartieren),
kerk en overige gebouwen van deze Orde stonden. |
Tot vervulling van haar oorlogstaak heeft de Orde overeenkomsten aangegaan met
alle religieuze Congregaties in Nederland, die zich, onder goedkeuring en op
verlangen van het Doorluchtig Episcopaat van Nederland, ter beschikking en onder
bescherming van de Orde gesteld hebben, waardoor Zij in staat is gesteld aan het
leger in tijd van oorlog een belangrijk deel der nodige verpleegkrachten te
verzekeren en tevens te handelen overeenkomstig het militair beschermend
karakter der Orde, hetwelk van de oudste tijden af een harer kenmerken is
geweest, Voorts heeft zij de grote Katholiek inrichten in ons land,
retraitehuizen, kloosters enz., die bij uitstek geschikt zijn om tot nood
ziekeninrichtingen te worden ingericht, aan zich verbonden en voor dat doel
provinciale Maltezer commissarissen benoemd, onder een Maltezer
Hoofdcommissaris. Een Hoofd Inspecteur en Provinciale Inspecteurs geven de
technische voorlichting.
Aldus zijn in één organisatie te samen gebracht (in 1921) meer dan 20.000
geestelijke zusters en ruim 1500 gebouwen. En deze schitterende organisatie
heeft zij gesteld ten dienste van het Vaderland.
De
regering heeft, zoals vanzelf sprak, de aangeboden hulp dankbaar aanvaard. De
verlening van militaire rangen aan de Maltezers door de regering, aan wie bij
K.B. d.d. 7 augustus 1914, No. 63, de majoors rang verleend werd en werd
toegestane majoors distinctieven te dragen op hun bij D.B. d.d. 5 juli 1915, No
306, vastgesteld velduniform, getuigen daarvan. Bij K.B. d.d. 27 maart 1912, No
31 was de Maltezer Orde door de regering, gelet op de Conventie van Genève
erkend en gemachtigd om in tijd van oorlog hulp te verlenen aan gewonden en
zieken behorende tot de legers der oorlogvoerende Mogendheden.
|
%2020%20Grani.jpg) |
|
Postzegel van de Orde van Malta. Emissie 79 (1984) met nominale waarde
20 Grani. Voormalig tenue Maltezer ridder. |
Van hoeveel waarde de regering de Maltezer hulpverlening acht, blijkt ook uit de
opdracht in de laatste grote oorlog door de Minister van Oorlog gegeven aan twee
Maltezer Ridders, de heren Van Voorst tot Voorst en Wittert van Hoogland, om
tijdens hun verblijf in Duitse Westfront, waar zij vóór het laatste grote
offensief in februari 1918 gedurende een maand in hun Maltezer velduniform
vertoefden, in het hoofdkwartier van Generaal von Gallwitz te Montmedy, het
vervoer en de verzorging der gewonden te bestudeerde en daar een rapport over
uit brachten.
Reeds heeft de Maltezer Orde praktisch kunnen tonen van hoeveel waarde haar
organisatie voor het land is, toen zij in november 1918 op de roepstem der
Regering binnen 24 uur langs de Brabantse en Limburgse grenzen nood hospitalen
inrichtte en van ziekenzusters voorzag om de talrijke aan Spaanse griep lijdende
zieken te verzorgen, die zich bevonden onder de honderdduizenden Franse en
Belgische vluchtelingen, die in ons land gastvrijheid kwamen vragen.
Voorts moet aan de Maltezer Orde de grote verdienste worden toegekend het
initiatief genomen te hebben en de eerste onderhandelingen gevoerd te hebben tot
het in het leven roepen van het instituut der Aalmoezeniers bij het Nederlandse
leger, waardoor gedurende de mobilisatie van het leger in 1914 -1919 en ook
thans (1921) nog zulke grote weldaden aan de militairen gebracht worden.
Aldus meent de Orde ook in ons Vaderland (1921) nuttig werkzaam te kunnen zijn,
zowel in oorlogstijd bij de verpleging van gewonde landszonen, als in tijd van
vrede tot steun van hen, die niet in staat zijn uit eigen middelen de nodige
verzorging te bekostigen.
De
Nederlandse Balye der Souvereine Orde van Malta wordt geregeerd door een
Kapittel, bestaande uit een Baljuw, thans (1921) Luitenant Generaal Baron van
Voorst tot Voorst, adjudant i.b.d. van H.M. de Koningin en Voorzitter van de
Eerst Kamer der Staten Generaal, en verder uit een Coadjutor, een Werkmeester,
een Schatmeester, een kanselier, een 1ste kapittel Ridder en een 2de kapittel
Ridder, die elkander in deze rangorde opvolgen in gekozen worden op de
Ridderdag, die jaarlijks te Utrecht wordt gehouden. Op elke opklimming in rang
is echter de agreatie van de Vorst Grootmeester nodig.
|
 |
|
Maltezerdames op de Ridderdag 2006 |
|
 |
|
Maltezer Ridders en Dames lopen in stoet
van het stadhuis naar de St.
Jan met o.a. de burgemeester van Den Bosch |
|
 |
|
Vendelzwaaiers brengen een groet aan de leden van de Orde van Malta |
Het
Maltezerhuis |