|
De relatie van
de Orde van Malta met het Russische Keizerrijk
De relatie van de Orde
van Malta met het Russische Keizerrijk werd beschreven door de rechtsridders
Olgerd von Sherbowitz - Wetzor en Prins Cyril Toumanoff in de "Annales" van de
Orde 1967, deel I, II, III en IV. Hieronder volgt een vertaling hiervan.
De auteurs hebben voor hun studie
toegang gehad tot de "Russische" archieven van het Grootmagistraat van de Orde
te Rome, die niet eerder voor de geschiedschrijving waren gebruikt. De periode
waarin de Orde van Malta nauw verbonden was met het Tsarenrijk loopt van 1797 -
1810.
De tweede verdeling
van Polen plaatste alle commanderijen van het Grootprioraat onder Russisch
toezicht in 1793. De gezant van de Orde in Petersburg onderhandelde van 1794 af
met Catharina II over de instandhouding van dit Grootprioraat, doch boekte pas
in 1796 succes met de troonsbestijging van haar zoon, tsaar Paul I. Hij bereikte
toen zelfs meer: de omzetting van het Poolse Grootprioraat in het Grootprioraat
van Rusland. Met de overeenkomst tussen Tsaar Paul en de Grootmeester De Rohan
van januari 1797 neemt het erkende bestaan van de Orde van Malta binnen het
orthodoxe Russische Keizerrijk een aanvang.
 |
|
Tsaar
Paul I
|
Vanwaar die
plotselinge Russische belangstelling voor de Orde? Afgezien van persoonlijke
romantische en expansionistische drijfveren van Paul I, speelde de wederzijds
bestaande afkeer van de Franse revolutie een belangrijke rol. Deze laatste had
de Orde door confiscaties van bezittingen binnen Frankrijk aan de rand van een
financiële crisis gebracht. De overeenkomst moet dan ook gezien worden als een
vriendschapsverdrag of alliantie. Dat de Tsaar van zijn kant hoopte via de Orde
vaste voet te krijgen in het Middellandse zeegebied zal duidelijk zijn en hij
was derhalve bereid de afspraken op voor de Orde zeer gunstige voorwaarden aan
te gaan. Zo werd het Poolse verleden van het nieuwe Grootprioraat erkend en de
Tsaar betaalde de Orde 96.000 florijnen als schadevergoeding, voor sinds jaren
niet meer binnen gevloeide gelden uit het vroegere Grootprioraat Polen. Zou dit
laatste een inkomen van 120.000 florijnen gehad hebben, zijn Russische opvolger
ontving jaarlijks 318.000 florijnen (75.000 roebel) uit de Russische staatskas,
terwijl 53.000 florijnen (12.500 roebel) jaarlijks aan de schatkist van de Orde
moesten worden afgedragen.
Grootmeester De Rohan
stierf in juli 1797en onder zijn opvolger, Von Hompesch, werd de overeenkomst
begin augustus 1797 door de Orde geratificeerd. Bij deze gelegenheid werd de
Tsaar behalve het Grootkruis ook de titel van Protector verleend. Deze kwaliteit
placht gegeven te worden aan vorsten op wier grondgebied de Orde Prioraten
bezat, doch het is begrijpelijk dat Paul I om de vermelde politieke redenen aan
deze titel een nadrukkelijk cachet wilde geven; hij beschouwde het als een begin
van de uiteindelijke versmelting van de Orde met het Russische Keizerrijk. Toen
vervolgens de Fransen onder Napoleon op weg naar Egypte, in juni 1798 Malta
bezetten, was dit voor de Tsaar een gerede aanleiding tot de volgende stap in
deze richting; in november 1798 liet hij zich door het Grootprioraat van Rusland
tot Grootmeester van de Orde uitroepen, daarmede territoriale aanspraken op dit
eiland in het leven roepend. Deze politiek zou evenwel niet slagen; in september
1800 heroverden de Engelsen en niet de Russen Malta op de Fransen. Van teruggave
aan de Orde, zoals voorzien in het verdrag van Amiëns in 1802 is nimmer iets
gekomen, hetgeen in het verdrag van Parijs van 1814 als voldongen feit werd
erkend. Het Wener Congres tenslotte dat vooral stabiliteit wilde waarborgen,
wenste de bestaande toestand niet te herzien.
De Middellandse Zee-
politiek van de Tsaar liep dus op niets uit, ondanks het gebruik van de Orde als
instrument daartoe en de mogelijkheid zich buiten het Keizerrijk te doen
gehoorzamen door de prioraten die zijn - geüsurpeerd - Grootmeesterschap
erkenden. Dat deze loop der gebeurtenissen voor de zo verzwakte Orde frustrerend
werkte behoeft geen betoog; gewend als "erfelijk Tsaar aller Russen"
autocratisch te heersen, trad Paul I ook in zijn kwaliteit van Grootmeester als
alleenheerser op. Hoe kon hij ook begrip hebben voor de machtsbeperkingen die de
Constitutie het Hoofd van de Orde oplegt, alsmede voor diens aard gekozene? Na
Pauls gewelddadige dood in maart 1801 wendde Rusland zich af van de Middellandse
zee en keerde terug tot zijn traditionele anti-Turkse politiek, de herinnering
aan een zonderlinge en onevenwichtige monarch bewarend, die reeds in 1799 zijn
Engelse en Oostenrijkse coalitiepartners in de steek had gelaten, om zich met
Napoleon te verbinden, in wie hij de bedwinger van de Franse revolutie was gaan
zien.
Toch heeft de Maltezer
periode in de Russische geschiedenis een glans van triomf behouden. Dit wordt
duidelijk wanneer wij bezien, hoezeer de Orde zich in Rusland een positie
verwierf. Bij zijn ontstaan telde het Grootprioraat van Rusland 35 leden (1
persoon was Baljuw tevens commandeur), 8 Baljuwen- Grootkruis, onder wie slechts
2 katholieke Rechtsridders, 1 Dame- Grootkruis (de Tsarina), 10 Commandeurs en 4
familie- commandeurs, 2 Kapelaan-commandeurs, Rechtsridders en 6 Ere- en
Devotieridders, van wie 3 niet-katholiek. Op 35 leden dus 10 niet-katholiek,
waarnaast nog de dispensaties, zoals aan de Grootprior, de Prins Van Condé, en
alle Commandeurs, om gehuwd te zijn. Men ziet welke prijs de Orde bereid was te
betalen om de overeenkomst van 1797 te realiseren.
Onmiddellijk na het
ontstaan van dit Grootprioraat vatte de Tsaar het dwaze idee op een tweede te
stichten, bedoeld voor de niet-katholieke adel van het Keizerrijk. Dit plan werd
aan Malta voorgelegd en - bewijs van de hoge nood waarin de Orde verkeerde - Von
Hompesch en de Soevereine Raad gaven hun toestemming op 1 juni 1798. Bericht
hiervan verliet Malta evenwel nimmer, want 6 dagen later verschenen de Fransen
voor het eiland, dat zich 12 juni overgaf.
Deze overgave was voor
het Grootprioraat van Rusland aanleiding om Von Hompesch van het
Grootmeesterschap vervallen te verklaren en het op te dragen aan de Tsaar, die
het volgaarne aanvaardde. De gezant van de Orde in Petersburg werd
Luitenant-Grootmeester. Tegelijkertijd (1798) voegde Paul I tien commanderijen
aan het katholieke Grootprioraat toe en stichtte hij het tweede of
niet-katholieke Grootprioraat van Rusland, "teneinde de Orde haar oude glorie
terug te geven". Het jaarlijks inkomen van dit tweede Prioraat bedroeg 216.000
roebel uit de Russische staatskas. Het telde 98 commanderijen, 25% van het
inkomen hiervan en van de familiecommanderijen, totaal 40.000 roebel, moest
jaarlijks aan de schatkist van de Orde worden overgemaakt. Grootmeester Paul
benoemde in de loop der volgende jaren vrij ongebreideld nieuwe ridders. In 1799
telde het niet-katholieke Grootprioraat 12 Baluwen- Grootkruis, 92 commandeurs,
12 familiecommandeurs en 41 Rechtsridders. Buitendien waren 5 leden van het -
tegenwoordig uitgestorven - grafelijk geslacht Golovkin benoemd tot "erfelijk
ridder" met de buitenissige rang van Erecommandeur. Buiten de beide
Grootprioraten vinden we in 1799 nog 4 Baljuw-Grootkruis, 14 Dames-Grootkruis en
1 Ere- en Devotiedame. Van deze 19 personen, waaronder de maîtresse van Paul I,
behoorden er 13 tot de familie van de Tsaar; slechts 2 waren er katholiek.
Volledigheidshalve dient vermeld, dat er 4 van de bedoelde familieleden
oorspronkelijk tot het katholiek Grootprioraat behoord hadden, nl. de Tsarina en
3 zoons van Paul I. Eveneens buiten de beide Grootprioraten vielen 10 Ere- en
Devotieridders. Grootvorst Alexander, de erfprins, werd benoemd tot Grootprior
van het niet-katholieke Grootprioraat, nadat de Tsaar een nieuwe Soevereine Raad
had ingesteld van 9 leden, van wie slechts 2 profesten waren volgens de regels
van de Orde. Deze Raad werd in 1803 ontbonden en bestond toen uit 13 leden,
onder wie 2 katholieke leden.
Bij bovengenoemde
erfelijke benoeming van leden van geslacht Golovkin dient voor goed begrip te
worden aangetekend, dat dit de enige erfelijke benoeming is geweest. Erfelijke
commanderijen hebben nimmer bestaan. Wat sommigen daarvoor willen laten
doorgaan, zijn in feite niets anders dan de oorspronkelijke familiecommanderijen
uit de beide Grootprioraten; een automatische erfopvolging daarin bestond niet.
Om zulk een commanderij te kunnen overnemen was het vereist minstens 5 jaar lid
van de Orde te zijn geweest, nadat men zich als wettige directe afstammeling van
een stichter van een familiecommanderij had gelegitimeerd en zijn benoemingsgeld
had betaalt. Men moest ook 2 jaar in het Tsaristische leger hebben gediend en de
rang van officier hebben bereikt. Familiecommanderijen bestaan nog steeds in de
Orde; in 1938 waren er nog 11 in het Grootprioraat van Rome, 21 in dat van
Lombardijen-Venetië, 4 in dat van Napels-Sicilië en 1 in de Poolse Associatie. De
Russische familiecommanderijen werden evenwel in april 1811 afgeschaft door een
besluit van de Rijksraad met goedkeuring van de Tsaar Alexander I. Voor wat
betreft de erkenning van Pauls Grootmeesterschap diene dat alleen de 4 Spaanse
Grootprioraten als ook dat van Rome, dat de mening van de Heilige Stoel weergaf,
deze weigerden. De Roomse Keizer te Wenen, Frans II, coalitiegenoot van Paul I,
had zelfs Von Hompesch begin juli 1799 tot abdicatie gedwongen. Men moet daarbij
wel bedenken dat de Grootmeester, na de val van Malta met de Soevereine Raad
naar Triëst vertrokken, nauwelijks nog in staat was de Orde behoorlijk te
besturen, ook al omdat zijn prestige geleden had. Na zij aftreden ging ook de
Soevereine Raad uiteen, zodat de Orde geheel regeringsloos bleef.
Heeft de Orde dus voor
wat haar voortbestaan betreft veel aan de Tsaar te danken, een en ander neemt
niet weg dat de Heilige Stoel het religieuze element in de Orde, dat tegenover
het politieke zozeer in het gedrang was geraakt, benadrukte en zijn rechten
gehandhaafd wilde zien. De abdicatie van een Grootmeester had zonder Pauselijke
goedkeuring geen waarde, evenmin het optreden van een nieuwe. Daarenboven kon
een niet-katholiek niet aan het hoofd staan van een katholieke religieuze Orde,
maar gezien de omstandigheden konden de besluiten, hoewel 'de jure' ongeldig,
'de facto' worden aanvaard. Volgens de opvatting van de Heilige Stoel kon Paul I
dus als een 'de facto' Grootmeester worden beschouwd, maar van november 1798 tot
begin juli 1799 slechts als tegen-Grootmeester. Van dit standpunt van van Pius
VI werd de Tsaar overigens geheel onkundig gehouden door de Nuntius te
Petersburg, die hem als Grootmeester had geïntroniseerd. De Paus zond de Nuntius
op 16 maart 1799 uit Florence echter een gecodeerde brief met een niet-gecodeerd
(!) memorandum als bijlage, waarin o.m. de volgende zin voorkwam: "wel verre van
alle besluiten van het Grootprioraat van Rusland te kunnen goedkeuren of
tenminste stilzwijgende er aan voorbij gaan, ziet Zijne Heiligheid zich
duidelijk verplicht deszelfs leden in herinnering te brengen, hoezeer zij zijn
afgeweken van de constituties van de Orde en van de decreten van de Heilige
Stoel, waartoe zij gehouden zijn door de verplichtingen die hun kwaliteit
meebrengt, zowel voor wat betreft de afzetting van de Grootmeester Von Hompesch
als ten aanzien van het uitroepen tot Grootmeester van 'Zijne Keizerlijke
Majesteit'". Waarom was dit stuk niet gecodeerd?
Men kon voorzien dat
de tekst via Russische agenten rechtstreeks aan de Tsaar zou worden voorgelegd
en de Heilige Stoel wilde dat blijkbaar, teneinde geen publieke verklaring van
afkeuring te hoeven geven. Wilde men tevens de Nuntius niet compromitteren?
Alles heel kinderlijk en uiteraard tevergeefs: de Tsaristische woede kende geen
grenzen. De Nuntius, Grootaalmoezenier van het katholieke Grootprioraat, werd
van dit ambt vervallen verklaard en uitgewezen, de nuntiatuur gesloten. De Tsaar
tekende een decreet waarbij alle katholieken in zijn Rijk buiten ieder contact
met de Heilige Stoel werden geplaatst. Ook de Luitenant-Grootmeester verloor
zijn ambt en werd verbannen naar het landgoed van zij vrouw.
Pius VI overleed eind
augustus 1799. In maart 1800 werd hij opgevolgd door Pius VII die half september
1802 Ruspoli tot Grootmeester benoemde en tegelijkertijd de abdicatie van Von
Hompesch ratificeerde. In de nacht va 11 op 12 maart 1801 werd Tsaar Paul I door
een groep samenzweerders in zijn paleis te Petersburg vermoord. Zijn oudste zoon
volgde hem als Alexander I op.
 |
|
Tsaar
Alexander I
|
Met de
troonsbestijging van Tsaar Alexander I begint een nieuw hoofdstuk in de
geschiedenis van de verhouding tussen de Maltezer Orde en het Russische
Keizerrijk. Nog in maart 1801 gaf de nieuwe Tsaar een verklaring uit, waarin hij
zich de Protector van de Orde noemde, zijn hoofdstad Petersburg tot zetel van de
Orde verklaarde, zijn maarschalk, de baljuw graaf Nikolaas Soltykoff in de
functie van Luitenant- Grootmeester (sinds voorjaar 1799) bevestigde en hem
opdroeg de Soevereine Raad bijeen te roepen, die de Orde zou blijven besturen.
Voorts erkende hij het bestaan van de beide Grootprioraten in Rusland en
eindigde als volgt: "Zodra het mogelijk zal zijn, met medewerking van de andere
Hoven, de plaats en middelen te vinden om een Generaal Kapittel van de
Soevereine Orde bijeen te roepen, zal de grootste zorg van Ons protectoraat
zijn, dat dan een Grootmeester wordt gekozen die waardig zal zijn de Orde voor
te zitten en te herstellen in haar toestand van weleer". De nieuwe Tsaar eiste
dus niet het Grootmeesterschap op en het Maltezer kruis werd een maand later bij
decreet verwijderd uit het Keizerlijk wapen.
In de zomer van 1801
vaardigde de Soevereine Raad een besluit uit betreffende de verkiezing van een
nieuwe Grootmeester, "teneinde zodra mogelijk de Orde haar oorspronkelijke
constitutie terug te geven". De Raad vervolgde met te stellen dat een Generaal
kapittel onmogelijk bijeen kon komen gezien de omstandigheden en dat derhalve
een andere verkiezingsprocedure werd voorgesteld om de Orde toch snel een nieuw
Hoofd te geven, dat bij gelegenheid het eiland Malta weer in bezit zou kunnen
nemen. De Grootpriors werd opgedragen onmiddellijk hun kapittels bijeen te
roepen en aan de Raad vervolgens opgave te doen van diegenen der geprofeste
ridders die men aldaar het geschiktste achtte voor het Grootmeesterschap. De
Raad zou op grond van de binnengekomen gegevens een lijst samenstellen van
kandidaten en deze aan de Paus zenden aan wie verzocht zou worden, in zijn
kwaliteit van hoofd van alle geestelijke orden één der kandidaten als
Grootmeester aan te wijzen, waarbij werd aangetekend dat dit een éénmalige
procedure was die de rechten en privileges van de Orde onaangetast liet. Van
zijn kant verklaarde het Russische Hof op geen enkele wijze de vrijheid der
stemmingen te zullen beïnvloeden. Onderstreept zij dat de Soevereine Raad
duidelijk en oprecht een terugkeer naar de legaliteit wilde: 13 leden kwamen
alle voort uit de twee Russische Grootprioraten, waar men geen enkele geprofeste
ridder vond,; onder deze 13 waren slechts 2 katholieken, beiden leken. De
stemmen van de genoemde prioraten voor kandidaten voor het Grootmeesterschap
zouden dan ook volgens de Raad moeten worden uitgebracht op ridders die niet tot
een van deze Grootprioraten behoorden; de 13 gaven daarmede op directe wijze toe
dat geen hunner zich kon kwalificeren voor kandidaat-Grootmeester en op
indirecte wijze, dat zij volgens de constitutie van de Orde hoogstens als 'de
facto' Soevereine Raad konden worden aangemerkt; een soort interim regering, wel
een geheel andere houding dan onder het bewind van Paul I.
Het behoeft geen
betoog dat de Heilige Stoel de 13 niet als Soevereine Raad erkende met als
gevolg dat een lijst van kandidaten voor het Grootmeesterschap niet kon worden
aanvaard uit handen van dit gezelschap. De oplossing was dat alle Grootprioraten
hun stemmen rechtstreeks aan de Paus zonden. Desalniettemin bleef het gehele
plan een Russisch bedenksel, dat Paus Pius VII aarzelde te aanvaarden, omdat
daaruit toch een erkenning kon worden geconstrueerd. Inmiddels bepaalde de vrede
van Amiëns op 25 maart 1802 dat Malta aan de Orde zou moeten worden teruggegeven
en dat het Generaal Kapittel aldaar een Grootmeester zou kiezen. Onder Russische
diplomatieke druk aanvaardden Frankrijk en Engeland evenwel een plan uit
Petersburg: de pauselijke keuze uit de kandidaten van de prioraten. De Heilige
Stoel kon zich daarop aansluiten bij het Franse en Engelse standpunt.
Voordat het zover was
had Tsaar Alexander zich echter danig opgewonden over het getalm van de Paus.
Half maart 1802 hadden de Russische Grootprioraten hun keuze bepaald (de baljuw
Tommasi 23 stemmen, 3 anderen 5, 3, en 2 stemmen) en voordat dit resultaat naar
Rome kon worden gestuurd was het verdrag van Amiëns opgesteld. De Tsaar wilde
echter vóór de ondertekening een beslissing van Pius VII en toen hij vernam dat
de pauselijke nuntius aan zijn Hof op de terugweg van Rome Naar Petersburg, te
Wenen was aangekomen, liet hij de Paus weten dat hij zijn vertegenwoordiger niet
zou toelaten aan het Hof dan nadat Zijne Heiligheid de abdicatie van Von
Hompesch zou hebben geratificeerd, alle bestuursdaden van Grootmeester Paul zou
hebben erkend en een nieuwe Grootmeester zou hebben gekozen uit de voorgelegde
kandidaten. Inmiddels hadden de Grootprioraten van Duitsland, Beieren, Bohemen,
Portugal, Sicilië en Venetië hun stemmen aan de Paus gezonden; die van Rome,
Pisa en Lombardijen lieten de aan Zijne Heiligheid over en de 4 Grootprioraten
van Spanje zonden niets in. Onder deze omstandigheden koos Pius VII op 16
september 1802 de Baljuw Ruspoli, kandidaat van het Romeinse prioraat, die de
benoeming weigerde te aanvaarden. Daarop koos de Heilige Vader op 9 februari
1803 de Baljuw Tommasi, kandidaat van de Russische prioraten, die lid was
geweest van de Soevereine Raad ten tijde van de val van Malta. Bij de keuze van
Ruspoli had de Paus bovendien de abdicatie van Von Hompesch gesanctioneerd,
daarmede 2 van de 3 eisen van de Tsaar ingewilligd; aan de laatste zou evenwel
nimmer door de Heilige Stoel worden voldaan. De Tsaar liet het erbij en de
nuntius werd in Rusland toegelaten, maar Alexander vergaf het niet, zijn
belangstelling voor de Orde smolt weg als sneeuw voor de zon en weldra begon hij
te voelen voor haar verwijdering uit zijn Rijk.
De Soevereine Raad
trok de consequenties van het verlangen tot terugkeer naar legaliteit: hij
ontbond zichzelf half april 1803 en zond hert archief en de regalia van de Orde
aan de Grootmeester die te Messina vertoefde in afwachting van de mogelijkheid
tot terugkeer naar Malta. De regalia bestonden uit de kroon van de Grootmeester,
het zwaard van de godsdienst en het grootzegel, alle gemaakt op bevel van Paul
I. Toen duidelijk werd dat Engeland Malta niet aan de Orde zou teruggeven,
proclameerde de Grootmeester Tommasi, Messina tot voorlopige zetel van de Orde;
hij riep er een Generaal Kapittel bijeen dat op 27 juni 1803 zijn verkiezing
door de Paus ratificeerde en ten overstaan waarvan hij zijn ambtseed aflegde: de
regering van de Orde had wederom een legale statutaire vorm aangenomen.
Toch bleef een
overblijfsel uit de 'Russische periode' bestaan; het niet-katholieke
Grootprioraat. Uiteraard kon dir 'de jure' geen deel uitmaken van een katholieke
religieuze Orde; het werd dan ook nimmer goedgekeurd doch wel 'de facto' erkend,
mede uit dankbaarheid voor wat de Russische Vorsten hadden gedaan om het
voortbestaan van de Orde te verzekeren. Samen met het katholieke Grootprioraat
van Rusland en dat van Beieren vormde het de Beiers-Russische 'langue', welks
zaken door het Grootmagistraat, sinds 1804 te Catania gevestigd, werden
behandeld. De functies van Grootprior en Luitenant grootprior werden in het
katholieke Grootprioraat vervuld door de Prins van Condé, die zich in Engeland
had gevestigd, en Prins Adam Czartoryski; in het orthodoxe Grootprioraat door de
Tsaar en Graaf Nikolaas Soltykoff. Benoeming van nieuwe ridders en commandeurs,
de opvolging in de familiecommanderijen en de stichting van nieuwe, alsmede de
goedkeuring van de besluiten van de twee Russische Grootprioraten behoorden tot
de uitsluitende competentie van het Grootmagistraat. De toelatingen en
bevorderingen van ridders die te Petersburg hadden plaatsgevonden tussen 1798 en
1803 werden aanvaard.
Ook de financiën van
de Russische Grootprioraten vielen onder de competentie van het Grootmagistraat.
In de loop van 1803 ontving Grootmeester Tommasi van de zaakgelastigde van de
Orde te Petersburg, De Maisonneuve, een overzicht van de situatie. Een bedrag
van 500.000 roebel was tegen 5% uitgezet in een openbare kas, waarin men nog een
spoor kan terugvinden van de vroegere vrijgevigheid van Paul I. Voorts beliep
het jaarlijks inkomen uit de staatskas 300.000 roebel; 216.000 voor het
orthodoxe en 75.000 voor het katholieke, dat bovendien nog 9.000 roebel ontving
voor het onderhoud van de St. Janskerk en het prioraathuis. Dat zag er op het
eerste gezicht verheugend uit, doch de Russische regering was in het geheel niet
van zins dergelijke aanzienlijke sommen naar het buitenland te laten overmaken
en voelde er begrijpelijkerwijs niets voor Rusland ook nu nog voor de grillen
van de Tsaar te laten betalen. Sommigen van hen wilden althans het orthodoxe
Grootprioraat zelfs meteen opheffen. Zover kwam het vooralsnog niet, maar de
geldovermakingen naar de schatkist van de Orde hebben ook niet plaatsgevonden.
Grootmeester Tommasi
overleed te Catania op 13 juni 1805 en de Soevereine Raad koos eenstemmig Baljuw
Guevara-Suardo tot Luitenant-Grootmeester. De daarop volgende verkiezing door
het Generaal Kapittel van een kandidaat voor het Grootmeesterschap vond wel
plaats, doch Franse politieke druk bereikte dat Pius VII de verkiezing niet
ratificeerde, doch op 21 oktober 1805 Guevara-Suardo in zijn functie bevestigde.
Hier begint de periode waarin de Orde bestuurd werd door de Soevereine Raad en 7
elkaar opvolgende Luitenant-Grootmeesters, totdat in mei 1879 eindelijk een
nieuwe Grootmeester is opgetreden.
Het nieuwe Hoofd van
de Orde werd door alle Grootprioraten erkend, ook door het Russische, en voerde
het bewind van 1805 tot 1814.Hij heeft met grote moeilijkheden te kampen gehad.
De eerste vier jaren was hij het mikpunt van de intriges van de
kandidaat-Grootmeester, die zich niet bij de pauselijke beslissing wenste neer
te leggen. Voorts gingen tijdens zijn bewind en later steeds meer goederen en
Prioraten voor de Orde verloren. In 1792 waren reeds de zes Franse
Grootprioraten door de revolutionaire regering geconfisceerd; in 1802 volgde het
verlies van de vier Grootprioraten van Spanje, die de Kroon daar te lande aan
zich trok. In 1806 werden de Grootprioraten van Venetië, Lombardijen, en
Duitsland opgeheven; in 1808 die van Beieren, Rome, Barletta en Capua; in 1825
dat van Messina en in 1834 dat van Portugal. Het enige dat zonder onderbreking
is blijven bestaan is dat van Bohemen. Na de Napoleontische tijd zien wij een
herstel intreden. In 1816 werd het Grootprioraat van Rome weer ingesteld; in
1839 geschiedde hetzelfde met Venetië en Lombardijen doch deze werden tot één
gecombineerd. Eveneens werden in 1839 Barletta, Capua en Messina hersteld tot
één: het Grootprioraat van Napels en Sicilië. De opheffing van de Russische
Grootprioraten is in twee fasen geschied. Een persoonlijk decreet van Tsaar
Alexander I van begin 1910 maakte een einde aan de zelfstandigheid van de
financiën: alle middelen vervielen aan de schatkist, die ook de kosten overnam
en de inkomsten inde; ook het prioraathuis verviel aan de fiscus. Alleen de
familiecommanderijen werden met rust gelaten. In april 1811 werden evenwel ook
deze opgeheven; de commandeurs konden kiezen tussen het storten van de
getaxeerde waarde van hun commanderijen in de staatskas, waarna zij eigenaar
werden, ofwel zij moesten de inkomsten die zij uit hun commanderij verkregen aan
de fiscus opgeven, die daarmede de lopende kosten dekte.
Deze onteigening in
twee stappen van de twee Grootprioraten bracht het feitelijk einde van hun
bestaan. De mislukking van de Maltezer politiek van Tsaar Paul I had aan zijn
opvolger Tsaar Alexander I, elke belangstelling voor de Orde ontnomen. Bovendien
had hij de Paus er niet tot kunnen krijgen de besluiten te erkennen van Paul I
de Orde betreffende. Toen in 1803 de zetel van de Orde niet langer in Petersburg
gevestigd bleef, had de regering er zorg voor gedragen dat geen geld het land
zou verlaten ten behoeve van de Orde, zoals wij boven zagen. Thans was het
ogenblik aangebroken een feitelijk einde te maken aan het bestaan van de
Grootprioraten van de Orde op Russisch gebied. Dit laatste was duidelijk de
bedoeling van Alexander I, getuige een later officieel regeringsdocument uit
1817, waarin wordt verklaard dat - reeds sinds zeven jaar - geen Prioraat meer
bestaat in Rusland. Dat dit laatste niet reeds in 1810 of 1811 duidelijk werd
gesteld vindt zijn verklaring in de genegenheid die Alexander voor Graaf
Soltykoff, die in 1816 overleed. In september 1810 bereikte het bericht van de
onteigening Catania. Onmiddellijk scheef Guevara-Suardo aan de Maisonneuve en
Soltykoff om hun interventie bij de Tsaar te bewerken. De verbindingen waren
gezien de Napoleontische oorlogstoestanden evenwel zo slecht, dat de brieven
tussen Catania en Petersburg er een jaar of langer over deden. Blijkens de tekst
van de interventie van Guevara-Suardo in de vergadering van de Soevereine Raad
van 5 mei 1813 wist men te Catania toen nog niets van de draagwijdte van de
Tsaristische maatregelen, die immers ook het katholieke Grootprioraat tot nul
hadden gereduceerd. De later binnengekomen brieven van Maisonneuve geschreven in
de loop van 1812 - de laatste is van 12 december - onthulden de tragedie ten
volle: zelfs geen kamer was hun gelaten; van alles wat hij in het prioraathuis
aan bezittingen van de Orde in bewaring had kon hij slechts twaalf koffers met
archiefmateriaal in veiligheid brengen. Begin 1813 overleed hij. De Orde heeft
zich tenslotte bij de gang der gebeurtenissen neergelegd. In 1814 legde zij een
overzicht van haar toenmalige bezittingen voor aan het Wener Congres; de
Russische Grootprioraten komen daar niet in voor. Na 1810 werden alle Russen,
katholieken zowel als niet-katholieken, die door het Grootmagistraat tot de Orde
werden toegelaten, benoemd als ereridders met het devotiekruis, derhalve buiten
de prioraatstructuur. Zo riep Prins Gagarin (!) in 1814 de tussenkomst in van de
opvolger van de Maisonneuve om het kruis te ontvangen "omdat geen commanderijen
meer gesticht konden worden". Hij ontving het vijf maanden later. Op 31 mei 1819
werd voor de laatste maal een niet-katholieke Rus, Prins Galitzin, op deze wijze
in de Orde opgenomen. De reden waarom het Grootmagistraat zo land doorging met
het toelaten van Russische niet-katholieken kan wellicht gezocht worden in de
hoop om na de restauratie in 1815 van het Koninkrijk Polen, onder de Russische
Tsaar als Koning, te komen tot herstel van het oude Poolse Grootprioraat, de
voorganger van het katholieke Russische. Tot eind 1818 had de
Luitenant-Grootmeester Di Giovanni, die op 26 april 1814 Guevara-Suardo was
opgevolgd, goede hoop ter zake. Er is evenwel niets van gekomen en sinds die
tijd werd de oude discipline weer in acht genomen; uitzonderingen zijn bijna
uitsluitend gemaakt ten behoeve van niet-katholieke vorsten en hun familieleden.
 |
|
Tsaar
Alexander III
|
De betrekkingen tussen
de Orde en het huis Romanov bleven hartelijk. In 1827 liet Tsaar Nikolaas I aan
Luitenant-Grootmeester Busca, die hem de zetelverplaatsing van Catania naar
Ferrara bericht had, weten dat hij de Orde gunstig gezind was. De latere
Alexander III werd in 1875 benoemd tot Baljuw Grootkruis. In 1881 volgt dezelfde
benoeming door Grootmeester Ceschi a Santa Croce van de Grootvorsten Serge en
Paul; in 1891 ontving de latere Nikolaas II deze onderscheiding en in 1896 zijn
echtgenote, Tsarina Alexandra Feodorowna. In 1908 zond deze Tsaar aan
Grootmeester Von Thun-un-Hohenstein het schilderij ten geschenke van Paul I,
dragende de insignes van de Orde; het hangt thans in de grote zaal van het
Grootmagistraat te Rome. Inmiddels was in 1875 de protestantse Ambassadeur van
Rusland bij het Quirinaal in de Orde opgenomen als Ere- en Devotieridder.
Tenslotte kan nog worden vermeld, dat conform de bovenaangegeven traditie op 18
november 1961 Grootvorst Wladimir, hoofd van het huis Romanov, benoemd werd tot
Baljuw Grootkruis.
Madonna
van Philermo
|
|
|
|
|