|
900 jaar Maltezer Orde
Door: J.C.M. van Winkel
Erekapelaan van de SMH Orde van Malta
Juni 1999
Naar schatting bestaat onze wereld vijf miljard jaar.
Wat zijn – daarbij vergeleken – 900 jaar? Wat betekenen negen eeuwen
in zeshonderdduizend jaar geschiedenis van de mens? Indrukwekkend
wordt het getal 900 in 2000 jaar kerkhistorie!
Beschouwen we dit jubileum als een hoogtepunt, dan
hebben we wel een hoge bergtop beklommen, een markant hoogtepunt,
waarop dankbaarheid en vertrouwen elkaar ontmoeten, waarin verleden
en toekomst elkaar raken in dit jaar 1999. Op dit jubileum dat over
donkere dagen in de “Eeuwige Stad” gevierd wordt, zal het verleden
als een kracht worden ervaren die ons allen draagt. We vertrouwen
ons toe aan Gods Geest, die ons naar een toekomst leidt. De Geest
die tegelijkertijd continuïteit en nieuwheid, traditie en
vooruitgang is.
Als levende traditie verbindt Gods Geest alle
geslachten met onze Heer Jezus, die is, die was en die komt (apoc.
1.4). De Heilige Geest draagt het verleden van onze Orde om het te
stuwen naar de toekomst.
Ontstaan in een nieuwe lente in de 12e
eeuw, geworteld in een onuitputtelijke boden: de nood van de wereld,
heeft onze Hospitaalorde van Sint Jan stormen kunnen weerstaan. De
traditie van het ridderschap: geloof en trouw, nederigheid en
gehoorzaamheid, naastenliefde, de bereidheid tot persoonlijke offers
en liefde voor de gerechtigheid zij bewaard gebleven.
Ridders van het Sint Janhospitaal van Jeruzalem
stelden zich in dienst van de zieken. Ze zagen het steeds als hun
roeping het avondland te beschermen tegen de steeds weer driegende
en oprukkende vijand. Hun geestelijke wapenrusting bestond uit
nederigheid en zelfverloochening. “De lenden omgord met de waarheid,
bekleed met het harnas van de gerechtigheid, de voeten geschoeid met
ijver voor het evangelie van de vrede, daarbij het grote schild van
het geloof hanterend, gewapend met de helm van het heil en het
zwaard van de Geest.”(EF. 6, 13-18)
Onze Orde heeft zich die negen eeuwen, ondanks alle
wederwaardigheden, tot op de dag van vandaag kunnen handhaven. Dit
is niet zozeer te danken aan de kracht van de wapens maar aan de
geestelijke waarden die haar dragen, namelijk dienstknecht te willen
zijn in het hospitaal van Sint Jan. Al die eeuwen heeft Johannes de
Doper de Hospitaalridders geïnspireerd op te komen voor de
gerechtigheid en het welzijn van de “Herenzieken”, de lijdende
medemens.
Vanaf 1113 koos de Orde Sint Jan tot patroon en in de
loop der eeuwen heeft de Orde getracht zich de woorden van de
voorloper van de Heer eigen te maken. Hospitaalridders hebben
gepoogd de weg van de Heer te effenen door hun medechristenen te
beschermen en zich het lot van zieken aan te trekken. Ze hebben
getracht heraut te zijn voor de blijde boodschap, door in woord en
daad te verwijzen naar Jezus. De Bergrede, de Acht Zaligheden zijn
gesymboliseerd door de acht punten van het Maltezer Kruis. “Zalig de
armen van geest, zalig die wenen, zalig die hongeren en dorsten vaar
de gerechtigheid”. “Wat ge de minsten der Mijnen hebt gedaan, hebt
ge voor Mij gedaan”. Onze Heer vereenzelvigt Zich met de lijdende
mens. Hij, de lijdende dienstknecht.
Die inspiratiebron stroomt ook voor ons, die toch
leven in een in vele opzichten andere wereld dan destijds in
Jeruzalem, op Rhodos en op Malta. Ook in het komende millennium zijn
de grote tradities van de Orde: bescherming, troost, geloof,
diaconie, nog levensidealen. De profetische uitspraak van de eerste
Grootmeester Gérard de Provence: “Zolang er nog nood en lijden op
deze wereld gevonden worden, zolang zullen er mensen zijn die de
nood helpen lenigen, maar dan zal de Orde niet ten onder kunnen
gaan”, is een bevestiging en bemoediging. Nobilitas, caritas,
adeldom en christelijke naastenliefde zijn en blijven de fundamenten
van de Orde.
Er valt nog veel te bestrijden. Telkens weer zal er
een appèl op ons worden gedaan om te helpen, want de een moet de
last van de ander helpen dagen. Een vijandig mens heeft immers ’s
nachts het onkruid van zonde, mislukking, lijden en dood gezaaid op
de goede akkers van onze wereld. Het is dan ook verleidelijk om op
dit hoogtepunt ervan te dromen iets groots, iets spectaculairs tot
stand te brengen.
Indrukwekkende acties zal zeker onze Nederlandse
Associatie niet kunnen ondernemen.
Het legt ons dan des te meer de “verplichting” op om
op de plaats waar we gesteld zijn, naargelang capaciteiten en
mogelijkheden, een wegwijzer naar Christus te zijn, een wegbereider
voor de Heer. In onze omgeving zijn er zovelen ziek, omdat ze de
bron van het leven niet weten te vinden.
Omdat we ons geroepen weten tot een getuigend en
“voorbeeldig” leven, zullen we de nodige tijd moeten reserveren voor
gebed en bezinning. Johannes verbleef in de woestijn, waar het gebed
toetsteen, drijfkracht, richtsnoer, bron van zijn handelen werd. We
moeten kunnen volhouden in het leven van elke dag om wellicht kleine
dingen met een grote liefde te doen.
“Zoekt het goud niet in droomlanden, maar in de grond
waarop we staan”. Als er ooit een taak is weggelegd voor de
Hospitaalorde, dan juist nu, om in een vaak donkere wereld, licht te
zijn, om te getuigen van het ware Licht, dat iedere mens verlicht,
om te bouwen en te planten om zo voor de Heer een welbereid volk te
vormen.
Er mag veel van ons worden gevraagd, omdat ons zoveel
werd geschonken. De Heilige Geest zal ons inspireren, om vanuit de
spiritualiteit van onze Orde te komen tot een inspirerende
levensstijl.
De komende herdenkingsbijeenkomst in Rome, al dan
niet ter plekke meebeleefd, moge een inspiratiebron worden voor nu
en in de toekomst. Vol vertrouwen trekken we dan verder, op naar het
doel: de kampprijs van Gods hemelse roeping. (Fil. 3,14)
|