|
De waarde van een
orderegel
Door: prof. dr.
Paul van Geest
Lourdes
pelgrim SMH Orde van Malta
Lourdes,
4 mei 1999
Toen de katholieke
kerk ook gedurende de derde eeuw na Christus vaste vormen begon aan
te nemen, ontstond er behoefte aan structuur. Structuur in de
organisatie van de kerk wel te verstaan, alsook structuur in het
levensritme. Er werd geprobeerd om die twee zaken samen te laten
gaan in de zogenaamde ordesregels. Augustinus, een even
getalenteerde als bevlogen bekeerling die het tot bisschop van Hippo
Regius in Noord Afrika had gebracht, was in deze tijd de eerst die
een systematische samenvatting maakte van een aantal leefregels. Hij
was geïnspireerd geraakt door de levenswijze van de woestijnvaders,
voor wie abt Pachomius al een aantal zaken op een rijtje had gezet
met betrekking tot levensorde en levensruimte, maar dan wat minder
ordelijk. Augustinus schreef zijn regel, het Praeceptum genaamd,
voor een aantal mensen die hij in zijn bisschopshuis van een vast
dagritme wilde voorzien. Deze groep zou de basis en de kern gaan
vormen van de orde van de augustijnen, die tot op heden in tal van
vertakkingen kerk en wereld van haar diensten voorziet. Maar
Augustinus kon in de tijd van de totstandkoming van het Praeceptum
niet vermoeden, welk een impact zijn orderegel zou hebben op het
kloosterleven van de kerk in het westen. De talloze religieuze
congregaties bijvoorbeeld, die in de achttiende en de negentiende
eeuw werden opgericht om de noden van zieken en outcasts te
verlichte, baseerden zich voor hun gemeenschappelijke leven op de
regel van Augustinus.
En ook de
hospitaalbroederschappen in de middeleeuwen, die zich tot doel
hadden gesteld de zieken tot heer te maken en in hen hun Heer te
zien, reguleerden hun omgang met elkaar door middel van de ‘Regula
sancti Augustini”, zoals ’s bisschop werk inmiddels was
geboekstaafd.
Ook de Maltezer
Orde baseert zich in haar regel voor een groot deel op de orderegel
van Augustinus en is zeker in de begintijd schatplichtig hieraan
geweest als het gaat om inzichten betreffende de levensordening.
De inhoud van de
regel is verrassend eenvoudig. Augustinus begint doodsimpel met de
aansporing dat men moet leven zoals de eerste christengemeenschap
van Jeruzalem. (cf. Hand. 4: 31-35). Hierin zegt Lucas het volgende:
“Na hun gebed beefde de plaats waar zij
bijeen waren. Allen werden vervuld van de heilige Geest en
verkondigeden vrijmoedig het woord Gods. De menigte die het geloof
had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand
die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij
bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de
apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en
rijke genade rustte op hen allen. Er was geen enkele noodlijdende
onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten, deze
verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de
apostelen neer te leggen, Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar
zijn behoefte”.
In Augustinus’
idee nu werd in de ideale situatie van oerkerk de omgang met elkaar
door een bepaalde grondtoon bepaald: die van de onderlinge liefde.
Pas in deze kracht
kon men elkaar volgens hem op waarde schatten en pas vanuit deze
kracht kon men echt tot grote daden komen. Gevleugeld is
bijvoorbeeld zijn uitspraak inmiddels geworden dat men iemand of
iets pas kan kennen in de mate waarin je die iets of iemand ook lief
hebt. Je kunt iemands daden pas be- of veroordelen, in zoverre je
ook liefde en sympathie voor de gehele persoon kunt opbrengen: ‘Res
tantum cognoscitur, quantum amatur’. Anders volgt vaak een hard en
onzorgvuldig oordeel of een ondoordachte handelwijze; ze zijn dan
niet door de ware en meest opbouwende grondkracht van de caritas
ingegeven. En dan is een mens net als drank, dan maakt hij meer
kapot dan hem lief is. Maar die liefde was voor Augustinus geen loos
of zweverig gelegenheidsgevoel: deze moest geschraagd worden door
een ordelijke levensvorm. Liefde moest in zijn idee beklijven en
groeien, hetgeen gepaard ging met energie en discipline.
Daarom is zijn
regel niet vrij van tal van praktische raden, die op het eerst
gezicht rigide overkomen, maar die tegelijkertijd gezien moeten
worden in het licht van Augustinus’ streven, de liefde (caritas) te
intensiveren. Zo zijn deze rade ondersteunend in de zin dat als de
mens bijvoorbeeld oog houdt voor zijn persoonlijke hygiëne of
aandacht heeft voor afwisseling van activiteiten in zijn dagritme,
hij innerlijk vrij en harmonisch blijft. En innerlijke vrijheid is
voor de bisschop van Hippo de gesteldheid om de voornoemde caritas
haar werk in de harten te laten doen. In zijn hele werk is de bede
vervlochten die de apostel Paulus in zijn Romeinenbrief verwoordt.
Dit is de bede om
de gave van deze caritas, die in Paulus’ gedachte uitgestort wordt
door de kracht van de Heilige Geest (Rom. 5:25), maar die in
Augustinus’ idee postvat en een krachtbron vormt in een persoon die
innerlijk vrij is. Deze vrijheid van de mens nu ligt voor Augustinus
in de som van zijn dagdelen: bidt bij alleen maar, dan zou hij immer
zwaar neurotisch worden, vast hij alleen maar dan gaat hij dood, eet
hij alleen maar, dan wordt hij vadsig, en is de aandacht alleen maar
gericht op het werk omwille van de carrière, dan wordt de wereld te
klein omdat die om jezelf gaat draaien. En dat laatste was voor
Augustinus, door schade en schande wijs geworden, wel de meest
benauwende weg die een mens kan gaan. Vandaar zijn nadruk op de
caritas, het woord ook voor de onderlinge liefde, waarin de ene mens
de ander niet tot middel maakt, maar tot doel op zich verklaart in
gedachten en daden en daarin zijn ultieme vrijheid vindt. Een mens
zonder nuttige bijbedoelingen voor jezelf bejegenen bewerkte de
libertas; het idee van de vrijheid dat juist voor christenen zo
typerend is. En uiteindelijk bewerkt het een besef van de goedheid
en schoonheid van God. Het is niet voor niets dat Augustinus op dit
laatste aan het slot van zijn Praeceptum met grote klem de nadruk
legt.
Het is al
opgemerkt dat deze regel van Augusinus de grondslag vormde voor het
gemeenschappelijke leven van vel religieuze groeperingen.
Bijvoorbeeld de broeders en zusters van het gemene leven (van de
Moderne Devotie) in onze contreien, maar ook vele orden en
congregaties in respectievelijk vroeger en later tijd hebben hun
leven volgens zijn ideeën geordend.
Vele van deze
gemeenschappen, orden en congregaties hebben een bloeiend
gemeenschapsleven gekend, omdat ze door de geest van de Regel van
Augustinus waren bewogen; ze droegen deze uit in hun werk voor
kinderen en zieken en waren zo de wereld tot zegen. Vele van deze
gemeenschappen, orden en congregaties gingen ook weer teloor.
Waarom? Handhaafden ze de augustijner regel niet meer? Wilden
ze hun eigen gedachten over het gemeenschapsleven tot regel maken?
Het antwoord is tweewerf nee. Orden en congregaties gingen te gronde
omdat zij de grondtoon van de regel allengs veronachtzaamden en
teveel nadruk gingen leggen op de praktische uitvoering van de
regels. Deze werden tot doel op zich verheven; dat zij slechts een
praktische handreiking vormden om een levensvorm gestalte te geven,
waarin de caritas kom beklijven en vruchtbaar kon worden, werd
onbewust van minder belang geacht. Om een concreet voorbeeld te
geven: Augustinus geeft in zijn Praeceptum een handreiking voor de
functie van de overste. Hierop werd in de volgende eeuwen uitvoerig
gereflecteerd. Maar wel op een wijze, waarin de eigenlijke intentie
van de Regel veronachtzaamd werd. En er werden bijvoorbeeld slechts
vragen geformuleerd over zaken als de kleding van de kloosterlingen.
Zaken dus die natuurlijk geregeld moesten worden, maar vergeleken
met de studie van de intentie van de regel veel te veel nadruk
kregen. Door jongeren in de orden werden dergelijke discussies al
frustrerend en dus verstikkend ervaren, omdat zij zich een leven
vanuit en in de augustijner kloosterfamilie bijvoorbeeld waren
hierdoor niet zelden afsplitsingen het gevolg. De augustijner
observantie van de vijftiende en zestiende eeuw onder leiding van
Johannes von Staupitz en later Andreas Proles was wel de meest
krachtige hiervan. Lerende van de geschiedenis kan men zich dus
vragen stellen en conclusies trekken met betrekking tot het nut van
een orde regel. Conclusies zouden betrekking kunnen hebben op de
wijze waarop de orderegels het meest vruchtbaar kunnen werken in
kerk en wereld door middel van de vorming van individu en
collectief. Vruchtbaar worden ze als de geest waarin de regel
geschreven is en de intentie die erin besloten ligt, gestalte
krijgen in het leven van de ordeleden. Zo niet, dan kan een orde
formeel blijven bestaan, maar wordt ze lachwekkend wegens het gebrek
aan inhoud en zal ze verloren gaan. De vragen die een orderegel
oproept zouden betrekking kunnen hebben op de omgang met zo’n regel:
in hoeverre krijgt de intentie van de regel gestalte in het leven
van een orde en van de afzonderlijke leden? In hoeverre raakt men
geïnspireerd door de Geest die erin besloten is? Wat voegen de
grondidealen van de orderegel toe aan de wereld als ze door het
leven van de delen gestalte krijgen? De grote ordestichters en de
uitzonderlijke orde- of congregatieleden waren zich er terdege van
bewust dat de kiem van de groei en de krachtdadigheid van hun
gemeenschap lag in de wijze waarop de caritas werd betracht. Ze zijn
maar al te vaak het zout der aarde gebleken.
|