|
Bezinningsdagen te Banneux
Het verhaal
 |
|
Mariëtte
Béco te Banneux op 15 januari tot en met 2 maart 1933. |
Gebeurtenis
Het is winter in het Belgische Banneux.
Buiten ligt sneeuw en wat ijs. Op zondag 15 januari 1933 om zeven uur in de
avond kijkt Mariëtte Béco, met elf jaar de oudste van zeven kinderen uit een arm
arbeidersgezin, vanuit het keukenvenster naar buiten. Ze kijkt uit naar haar
broertje Julienne, die eigenlijk al thuis had moeten zijn. Het is donker buiten
en ineens ziet Mariëtte op enkele meters afstand een lichtende Dame in de tuin.
Ze roept haar moeder en zegt: "Moeder, een hele mooie Dame in de tuin. Het is
Onze Lieve Vrouw. Ze lacht naar mij. O, wat is ze mooi". Mariëtte grijpt meteen
naar haar rozenkrans, die ze eens buiten had gevonden. Maria wenkt Mariëtte, en
ze wil direct naar buiten gaan. Haar moeder houdt haar tegen en doet de deur op
slot. Mariëtte gaat terug naar het raam maar de verschijning is weg. De
eerstvolgende woensdag, ook weer om zeven uur is Mariëtte in de tuin van hun
huisje. Zij bidt er geknield haar rozenkrans. Plots verlaat zij de tuin en gaat
de weg op, terwijl de Dame haar wenkt. Tot twee keer toe valt ze op haar knieën.
Een derde keer gebeurt dat bij een kleine bron die sijpelt door de hoge wegberm.
De Heilige Maagd staat boven de berm en Mariëtte knielt aan de rand van deze
greppel. Maria zegt: 'Steek uw handen in het water." Mariëtte doet dat en
herhaalt wat de H. Maagd zegt: "Deze bron is mij voorbehouden." Dan neemt zij
afscheid: "Goedenavond. Tot weerziens."
De volgende dag, donderdag 19 januari
om zeven uur, is het slecht weer. Het is erg koud, en Mariëtte Béco is met haar
vader samen in de tuin. Mariëtte knielt op het tuinpad en bidt. De Dame
verschijnt aan Mariëtte, die haar vraagt wie de Dame is. Maria antwoordt: "Ik
ben de Maagd der Armen." Vervolgens leidt Maria het kind opnieuw naar de kleine
bron. Mariëtte vraagt daar aan Maria: "Mooie Dame, gisteren hebt u gezegd: deze
bron is aan mij voorbehouden. Waarom aan mij?" De H. Maagd antwoordt
glimlachend. "Deze bron is voorbehouden aan alle naties, voor de zieken.
Mariëtte antwoordt met een 'dank u' en Maria besluit: "Ik zal voor je bidden.
Tot weerziens."
Vrijdag 20 januari blijft Mariëtte de hele dag in bed, omdat ze slecht heeft
geslapen. Even voor zeven uur 's avonds kleedt ze zich aan en gaat naar buiten.
Wanneer Onze Lieve Vrouw verschijnt, roept Mariëtte "Daar is ze!". Ze vraagt:
"Wat verlangt u, mooie Dame?" Maria glimlacht en antwoordt "Ik zou een kleine
kapel verlangen." Met haar rechterhand zegent de H. Maagd het kind.
De volgende drie weken zijn er geen verschijningen, ondanks dat Mariëtte iedere
avond in de tuin de rozenkrans bidt. Op zaterdag 11 februari bidt Mariëtte
opnieuw in haar tuin, en plots. Ze knielt twee keer en steek haar beide handen
in het water. Ze maakt een kruisteken. Dan loopt ze huilend naar huis. Maria
heeft haar die avond gezegd: "Ik kom het lijden verlichten. Tot weerziens."
Weer gaan drie dagen voorbij. De zesde verschijning van de in totaal acht, is op
woensdag 15 februari 1933. Van kapelaan Jamin krijgt Mariëtte een vraag mee voor
Onze Lieve Vrouw. "Heilige Maagd, meneer kapelaan heeft mij gezegd u een teken
te vragen." Maria antwoordt: "Geloof in mij, ik zal in u geloven." Zij geeft het
kind een geheim mee en zegt tot slot: "Bid veel. Tot weerziens."
De winter blijft vreselijk koud. Op maandag 20 februari ligt er nog steeds flink
sneeuw en ijs. Zoals inmiddels gebruikelijk leidt Maria het kind naar de bron in
de vroege avond. Maria zegt haar: "Mijn lief kind, bid veel. Tot weerziens."
De laatste verschijning vindt pas
plaats op 2 maart. Bij het derde rozenhoedje stopt de stevige regen van die dag
en verschijnt de H. Maagd. Zij is zeer ernstig. Maria zegt: "Ik ben de Moeder
van de Verlosser Moeder van God." Maria legt Mariëtte de handen op en zegt ten
slotte: "Bidt veel. Vaarwel."
|